travel guide background + travel guide pioneers eerste aanleg van goede wegen (post roads), road-books, itineraries De door de Romeinen aangelegde wegen in Engeland waren militaire wegen (= "heirwegen" of "heerwegen") , en uit die tijd (2e eeuw na Chr.) dateren ook routebeschrijvingen zoals Itinerarium Antonini (Itinerary of Antoninus). Zie wikipedia link.
De aanleg van goed begaanbare wegen tussen steden was vaak problematisch als er geen centrale overheid was, en als de besturen van de diverse steden of gewesten geen groot belang hadden bij de aanleg en het onderhoud of verbetering van wegen. Het was dus vooral in gebieden met een sterk centraal gezag dat er goede verbindingswegen tot stand kwamen, zoals in het Romeinse Keizerrijk (500 v Chr. - 400 na Chr.). Een sterk centraal gezag had goede communicatiewegen nodig met de lokale bestuurscentra. Ook voor snelle troepenverplaatsingen naar alle delen van het gebied waren goede wegen (of kanalen) nodig. In de Romeinse tijd was er een uitgebreid netwerk van wegen die naar Rome leidden. Het waren wegen met estafetteposten waarlangs boodschappers, gezanten, en koeriers te paard snel de hoofdstad konden bereiken (een idee dat ook al in het Perzische Rijk was toegepast in de 6e eeuw v. Chr.) Het Romeinse postwegnetwerk heette "cursus publicus" (= rijks-vervoerwezen). Het waren geen openbare wegen, en er was een vergunning nodig om ze te mogen gebruiken. Er waren ook verbindingswegen. Tussen Kleef (dat destijds nog aan de Rijn lag) en Nijmegen liepen bijvoorbeeld drie "heirbanen" (Zie H. Blink in Tegenwoordige Staat van Nederland, 1898). Een belangrijke "heirbaan" liep ook langs de Rijn van Katwijk via Utrecht en Keulen naar Koblenz, en er liep er verder een belangrijke Romeinse militaire weg langs de Maas, van Voorburg (Forum Hadiani) en Naaldwijk naar Nijmegen. Een bekende Romeinse wegenkaart is de Tabula Peutingeriana ( "Peutingerkaart"), daterend van ca. 350 na Christus (zie wikipedia link). Het is de enig overgebleven getekende Romeinse reisroute, met alle Romeinse provincies, en de door Alexander de Grote veroverde gebieden in het oosten. Dus van de Germaanse grenzen in het noorden tot Noord-Afrika in het zuiden, en van de Ganges in het oosten tot Engeland in het westen. Er bestaat nog een kopie van uit het eind van de 13e eeuw, bestaande uit een perkament van 6,75 meter lang, in 12 segmenten. In het westen van Nederland groeven de Romeinen circa 50 na Chr. het Kanaal (of Gracht) van Corbulo (Fossa Corbulonis) als verbindingkanaal tussen de Maas en de Rijn, en in het oosten circa 12 na Chr. de Gracht van Drusus (Fossa Drusiana) vanaf de Rijn naar het noorden. Het vervoer van militair materieel door deze grachten was het enige alternatief voor het onmogelijke transport over de vaak drassige bodem in de rivierendelta. Uiteindelijk bleef het Romeinse Rijk beperkt tot het gebied beneden de Rijn. Het transport door de gracht van Corbulo was een alternatief voor transport over zee. Ook Filips II, in de 80-Jarige Oorlog, en Napoleon, in de periode vanaf 1795, zouden later het initiatief nemen voor het graven van een aantal grachten. Bijvoorbeeld de in 1626 begonnen, maar onvoltooid gebleven, Fossa Eugeniana (een Schelde-Maas-Rijnverbinding van Venlo naar Rheinberg bedoeld om de Rijnhandel naar de Hollandse steden af te snijden, zie link), en het onder Napoleon in 1804, maar eveneens onvoltooid gebleven, Grand Canal Du Nord van Venlo naar Neuss, tussen Schelde, Maas en Rijn (link). In de Middeleeuwen werden, naast dijken, ook voortdurend afwateringskanalen aangelegd als reactie op overstromingen. Door het versnipperde bestuur, en de rivaliteit tussen naburige gaarfschappen, heerlijkheden etc. was het werk vaak kleinschalig en niet effectief. Tot 1222 liep er een diepe vaart van Harlingen ("Alemenum") via Dijkshorne, naar "het Vleiland", dat toen nog deel uitmaakte van de ononderbroken Nederlandse kustlijn. De vaart was aangelegd door de lekenbroeders Van Ludingakerke (Van Luinkerke) naar hun "Uithof" op het Vlieland (zie Teenstra blz. 141). De vaart werd als gevolg van hoge vloeden steeds meer verbreed, en in 1237 sloeg het omliggende land helemaal weg (ontstaan van de waddeneilanden, verbreding van het Vlie, ontstaan van Zuiderzee) Tijdens het keizerrijk van Karel de Grote (circa 800 na Chr.), dat zich uitstrekte van Denemarken tot aan Spanje, werden de oude Romeinse postwegen nieuw leven ingeblazen. Nadat dit Rijk uiteen was gevallen, raakten ook deze wegen in verval. Er was nog wel behoefte aan goede verbindingswegen, bij onder andere kooplui, studenten, geestelijken, pelgrims (die bijvoorbeeld de voettocht naar Santiago de Compostela wilden ondernemen zoals beschreven in het Iter pro peregrinis ad Compostellam, het door monniken geschreven 5e deel van de Codex Calixtinus, daterend uit ca. 1140) en studenten die andere steden moesten bezoeken, maar het zou nog tot het Roomse Keizerrijk van Maximilliaan I duren voordat er, in 1505, een efficiënt postwegensysteem werd georganiseerd waarvan ook het gewone publiek tegen betaling gebruik mocht maken. Dit wegennetwerk werd tot en met de 17e eeuw verder uitgebreid. In Engeland werden onder het bewind van het Huis van Tudor (vanaf Hendrik VIII) een zestal "koninklijke" postwegen vanuit Londen aangelegd, waarover postrijders te paard reden die na elke post (een etappe / stage van circa 20 mijl), werden ververst. Tot de 18e eeuw bleven dit de enige goed begaanbare wegen. In 1700 waren de gemiddelde reistijden voor de postbezorging (per koerier/postbode te paard) vanuit de London Inland Letter Office als volgt: Londen - Bristol: 16 uur en 45 minuten Londen - Liverpool: 21 uur en 20 minuten Londen -Exeter: 30 uur en 40 minuten Londen - Norwich: 13 uur en 35 minuten Londen - Davenport: 27 uur en 5 minuten Londen - Glasgow : 42 uu Het is wellicht niet toevallig dat de beroemde Itinerary van John Leland (1503 - 1552, link) werd verzameld tijdens het koningschap van Hendrik VIII. Leland inventariseerde boeken uit de kloosters (die sinds de First Suppresion Act op grote schaal waren geplunderd), en maakte ook lange reizen door Engeland, Wales en Ierland. Zijn aantekeningen waren op hun beurt weer een belangrijke informatiebron voor William Camden (1551-1623, link) voor zijn Britannia (een county-by-county beschrijving van Groot_Brittannië en Ierland, in het Latijn uitgegeven in 1586, met vele herdrukken, in 1607 voorzien van county maps door Christopher Saxton, later vertaald in het Engels door Philemon Holland in 1610, en opnieuw vertaald in 1695 door Edmund Gibson, met county maps van Robert Morden, 2e druk in 1722 ff.) Behalve voor briefbezorging ("letter post"), waren deze wegen, tegen betaling aan de postmasters (deze beheerders van de postwegen werden circa 1700 in het Reisboek van Jan ten Hoorn "post-comptoirs" genoemd) in de post-houses ("posthuizen"), ook toegankelijk voor personenvervoer ("travelling post"). Voor het personenvervoer op andere, slechter begaanbare routes bleven de gewone koetsen ("gemeene wagens", ofwel "Ordinaris wagens") van particuliere ondernemers (stage coaches) rijden. Hierin was plaats voor maximaal 15 personen, en ze waren vaak log en traag. In de 17e, 18e en 19e eeuw verschenen er 'reisgidsen' met overzichten van wegen en straten, bedoeld voor o.a. reizende kooplui. Niet toevallig waren het ook vaak legeronderdelen die verantwoordelijk waren voor het beschrijven van de wegen in het land. De bekende landkaarten van de bekende Britse Ordnance Survey hadden een militaire oorsprong (in de 18e eeuw):
transportmiddelen en toestand van de wegen tijdens de 17e,18e en begin 19e eeuw (koetsen, trekschuiten, zeilschepen, te voet, "ure gaans", Hessenwegen) In de Middeleeuwen werd er te voet of te paard gereisd. De eerste (gesloten) koetsen dateren van de 16e eeuw. Volgens de overlevering werd de eerste koets in Engeland geínroduceerd in het jaar 1564, door de Nederlander Wilhelm Boonen, die koetsier was aan het hof van van koningin Elizabeth I. Aanvankelijk was de koets een omstreden voertuig, maar ruim een halve eeuw later (in 1617) noteert Fynes Moryson al dat de straten van Londen er vol van zijn, en dat iedere heer wan stand er wel een had (zieAntoni Maczak, p. 263). . Het vervoer over de weg was in die tijd verre van comfortabel. De wegen tussen de dorpen waren vaak niet, of slecht verhard. Op zand- en grindwegen, maar zelfs op de eerste klinkerwegen, was spoorvorming een groot probleem (de zgn. kattenrug). Koetsen konden er makkelijk op kantelen of braken hun wielen erop, vooal als de spoorbreedte van de weg niet gelijk was aan de wielbasis van de koets. Van overheidswege werd gestreefd naar een uniforme spoorbreedte. In het gewest Holland werd rond 1640 een wagenspoor voorgeschreven van 121 cm breed, en de Raad van State probeerden andere gewesten ertoe aan te zetten dit brede Hollandse spoor op de doorgaande wegen voor te schrijven. Maar dit was maar matig succesvol. Het Drentse spoor was bijvoorbeeld 100 cm breed, en dit bleef op veel plaatsen tot in de 19e eeuw bestaan. Met alle gevolgen van dien voor wagens en koetsen die van buiten de provincie kwamen, of zelfs uit het buitenland kwamen. Voor de handelaren die met hun karren in karavaan uit Noord-Duitsland via Oost-Nederland (o.a. door Bredevoort, Varsseveld en Ede) kwamen en richting Amersfoort of Utrecht reisden werden in de 17e eeuw dan ook aparte, brede handelswegen (zogeheten Hessenwegen) aangelegd die een bredere spoorwijdte hadden, en daarom buiten de dorpen en steden om werden gelegd. Hessenwegen voeren soms gedeeltelijk langs oudere routes (bijv. voormalige Hansewegen). Barneveld was een belangrijk knooppunt en er liep ook een Hessenweg via Groningen en Kollum naar Friesland (zie wikipedia). aan deze Hessenwegen ontstonden in de loop der tijd ook herbergen, zoals "De Woeste Hoeve". De snelheid van de 17e- en 18e-eeuwse postwagens (de koets die als openbaar vervoer diende) was laag , ze reden niet regelmatig, en een voettocht was dan vaak het beste alternatief voor wie geen eigen koets had, of een privé-sjees (chaise) kon huren. Na zijn aankomst in Hellevoetsluis op 8 april 1768, besloot Joseph Marshall (in zijn reisverslag Travels through Holland) dat dit de enige manier was om in "Briel", op doortocht naar Rotterdam, te komen:
Een redelijk comfortabel en betrouwbaar (maar niet snel) alternatief in vlakke en waterrijke laaglandgebieden was de trekschuit. De eerste vermelding van een reguliere trekschuitverbinding in Nederland dateert van 1632. Het betrof de verbinding tussen Amsterdam en Haarlem (circa 30 passagiers). Volgens het Naeuw-Keurig Reys-Boek van Jan ten Hoorn (1679) waren er 40 jaar later trekschuiten en veerschepen tussen alle belangrijke steden in de Nederlandse kustprovincies.
De trekschuit zou 2 eeuwen lang het populairste vervoermiddel voor lange afstanden blijven in de laaggelegen waterrijke (kust)gebieden. Uiteindelijk werd de trekschuit met de aanleg van spoorlijnen overbodig. De laatste trekschuit werd in 1860 uit de vaart genomen Waar geen trekschuitverbindingen mogelijk waren, ontstonden er steeds meer en betere gereguleerde (post)wagendiensten ( openbare (post)koetsverbindingen). In Nederland kwam de eerste gereguleerde wagendienst (via een overheidsoktrooi) in 1660 tot stand, tussen Amsterdam en Den Haag. De postwagens waren open wagens met leren kleppen aan de zijkant. In 1687 kwam er een (post)wagendienst tussen Amsterdam en Arnhem bij. Vanaf Arnhem waren er verbindingen naar Kleef, Meurs, Keulen, etc. De paardenposterijen betekenden een stimulans voor het (openbaar) reizigersvervoer. Hier en daar werden verharde straatwegen aangelegd , zoals de straatweg tussen Delft en de Hoornbrug op de route naar Den Haag in 1682. Voor de postwagens, zonder deugdelijke vering en houten wielen, waren zandwegen echter het meest comfortabel. De volgende afbeeldingen zijn o.a. uit Campbell's Complete Guide Through Belgium and Holland (1817):
Een beschrijving van de reismogelijkheden op de belangrijkste routes naar Amsterdam in de 18e eeuw staan beschreven in het zakatlas van Hendrik de Leth (Nieuwe Geographische en Historische Atlas van de Zeven Vereenigde Nederlandsche Provintien, uitgegeven in meerdere edities van circa 1740 tot 1766). Voor de reis van Antwerpen naar Amsterdam gold het volgende reisadvies:
Waar geen bestrating was, was de trekschuit als het voordeligste alternatief. De postwagen was het alternatief in gebieden waar geen goede waterverbindingen waren (met name in de oostelijke en zuidelijke Nederlanden). In totaal beschreef De Leth een vijftal reizen naar Amsterdam, en bij elke stad noemde hij de belangrijkste herbergen en logementen. Hij noemde niet alleen de meest directe route, maar wanneer er een "vermakelijker" alternatief was, beschreef hij die ook. De Leth gaf daarnaast ook aan "hoe veel uuren gaans, linea recta gerekent, de meest bereyst wordende Steden in de Vereenigde Nederlanden, van Amsterdam zyn gelegen".
De Leth noemde ook de afstand tot veel buitenlandse steden, zoals Hamburg: 108 uren, Frankfurt: 100 uren, en Parijs: 98 uren. 1 uur gaans (Rijnlands) = 1500 roeden; 1 roede = 12 voeten
Het zakatlas van De Leth richtte zich in de eerste plaats op een reizigerspubliek dat vanuit alle gewesten en werelddelen naar Holland als bestuurlijk centrum van de Zeven Provinciën, en met name Amsterdam als belangrijkste handelsstad (VOC), kwamen om "Koophandel te drijven", maar ook op reizigers die erheen gingen om "de Stad in haar Gelegentheid, Grootheid, Schoonheid, Vermakelijkheid, prachtige Gebouwen, Scheepvaart, meenigerley bedrijven de Inwoonders, wyse van Regeering, en meer andere Dingen te doorzien", of "om zijne goede Vrienden te bezoeken". In boek 1 van de Grand Tour (1749) , beschrijft Thomas Nugent dat in Nederland de trekschuit het meest gebruikte vervoersmiddel is:
Over het 18e-eeuwse vervoer in Duitsland schrijft Nugent in deel 2 van de Grand Tour (2e druk, 1756) dat het relatief goedkoop is, en daarbij:
En in deel 3 van de Grand Tour (1756) beschrijft Thomas Nugent een aantal alternatieve transportmiddelen in Italië: (1) het openbaar vervoer met post-horses ("travelling post"), (2) de particuliere huurkoets, calash (vettura), (3) de chaise (cambiature), en (4) de stage coach (met een resbegeleider procaccio).Hiervan is volgens Nugent de postkoets met reisbegeleider (stage coach, met reisbegeleider procaccio) het slechtste alternatief, en de sjees (chaise) het beste:
Over de toestand van de wegen en vervoersmiddelen in Frankrijk is Nugent lovend (in vergelijking met de situatie in andere landen):
In de 2e helft van de 18e eeuw waren er flinke ontwikkelingen in het wegennet en het reizen per koets. Zo valt uit de correspondentie van James Boswell tijdens zijn grand tour door Europa, en verblijf in Nederland in 1763-64 op te maken dat, terwijl de reis van Utrecht naar Berlijn in die tijd nog een moeizaam avontuur was over slechte zandwegen, een vriend van hem, John Johnston, in augustus 1763 de afstand van Parijs naar Brussel (= 62 leagues, ofwel 186 Engelse mijl) met een post-chaise in 30 uur aflegde (dat was twee keer zo snel als een stevig looptempo of als de trekschuit die in de Nederlandse Provinciën toen nog het voornaamste vervoermiddel was). Opvallend was dat, als de toestand van de wegen en de conditie en bepakking van de reiziger het toelieten, een voettocht het meest voor de hand liggende alternatief was. Juist op de eerste verharde wegen werd geadviseerd te voet te gaan. De onverharde (modderige of stoffige) wegen waren immers minder geschikt voor wandelaars. (Het is aannemelijk dat het uit deze tijd dateert dat het Brits-Engelse woord ''pavement' synoniem werd met 'voetpad'.) Het onderhoud aan de wegen was vaak gebrekkig, en afhankelijk van de welwillendheid van particulieren (vaak boeren met aangrenzende landerijen) en het plaatselijk gezag. In grote delen van Nederland waren er tot in de 19e eeuw nog geen verharde wegen, en zoals Jacob Van Lennep in zijn reisverslag van een voetreis door Nederland, samen met zijn vriend Van Hogendorp,in het jaar 1823 beschreef, waren ook de klinkersteentjes een aanslag op zijn voeten (na een uur "over straatsteentjes langs een smalle gracht" van Amsterdam naar Zaandam, begonnen zijn voeten hem "zeer te kwellen" (28 mei 1823). En over de straatweg van Hoorn naar Enkhuizen schreef Van Lennep: afstanden en snelheden De snelheid van postwagen, trekschuit was was zelden groter dan een stevig wandeltempo van een reiziger te voet. Tot ongeveer de 2e helft van de 18e eeuw (toen er betere, comfortabelere, en snellere koetsen over verharde straatwegen gingen rijden*) was een "ure gaans" daarom een min of meer constante afstandsmaat, ongeacht het vervoermiddel. Eén "uur gaans" werd gedefinieerd als 3000 passen (zie o.a. de toelichting bij de "Nieuwe Stedenwijzer" van E. Maaskamp uit 1821; 1 pas = 5 voet; 1 trede = 2,5 voet). In de (Verkorte) Vaderlandsche Historie (1792) rekende Jan Wagenaar het aantal "uuren gaans" om in het aantal "schreden" (i.p.v. "passen"). Zo gaf hij de omvang van het "eiland" tussen de twee armen van de Rijn (de Waal en de Lek) dat door de Batavieren werd bewoond als "van ouds 80.000 schreden of omtrent 27 uuren gaans lang*, en 22.000 schreden, of ruim zeven uuren gaans, in de breedte uitgestrekt" (p. 1) Hij vermeldde daarbij als voetnoot: "Men zal het best deze meting beginnen, van daar de Waal, voor 't eerst in de Maaze valt, tot omtrent de plaat in de Noordzee, de Breeveertien gezegd; ruim zo ver schijnt onze vaste kust, ten tijde der Romeinen, geloopen te hebben." En in het eerste hoofdstuk van De Tegenwoordige Staat van het Landschap Drenthe uit hetzelfde jaar (auteur J. Tonkens, en voltooid door J.H.P. van Lier in 1792, het 33e deel uit de reeks!) wordt de omtrek van dit gewest "ten naasten bij, op vijftig uuren gaans gerekend". J.F. Martinet gebruikte in Het Vereenigd Nederland (een populair geschiedenisboek daterend van 1788, met een herdruk in 1790) ook de "uuren gaans". Op het bijbehorend landkaartje van de 7 Provinciën wordt de schaal aangegeven in "Hollandsche mylen of Uuren Gaans" . De termen zijn synoniem. In een latere, zesdelige editie van zijn werk, Het Vaderland en het Vereenigd Nederland van 1830, na de Napoleontische periode, wordt op de grote kaart van de Nederlanden (nu 17 provincies), een objectievere definitie van het "uuur gaans" gegeven. Het afstandsbalkje in de legenda vermeldt: "Uren gaans van 20 op een graad". Dit komt overeen met de definitie van Hendrik de Leth uit 1740 (zie hieronder). Overigens blijkt uit de tekst van Martinet's boek ook dat het "uur gaans" niet alleen als lengtemaat maar ook als oppervlaktemaat ("vierkante uuren") werd gebruikt: "De grootste lengte (van het noorden naar het zuiden) van Drenthe wordt op twaalf uren en de grootste breedte (...) op elf uren berekend. De geheele oppervlakte van dit landschap wordt op 66 vierkante uren bepaald" (deel 2, p. 180). De reis van Naarden naar Amsterdam was 2 uur gaans, ofwel 2 leagues, zoals Mariana Starke het in haar reisgids Travels on the Continent (1820) definieerde. De Amerikaan Benjamin Silliman die in de jaren 1805 en 1806 , gebruikte de term "Dutch speed", waarmee hij een gemiddelde reissnelheid van "about two or three miles an hour" bedoelde (A Journal of Travels in England, Holland and Scotland, 3rd ed., 1820, vol. 3, p, 24). Hij legde het als volgt uit:
Het "uur" bleef dus in het negentiende-eeuwse Nederland zowel een kloktijd als een afstandsmaat, wat voor buitenlanders zoals Silliman weliswaar verwarrend en onpraktisch, maar voor de Nederlander zelf volledig ingeburgerd en intuïtief was, zoals blijkt uit de volgende zin in deel 1 van het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden van A.J. van der Aa uit het jaar 1839: "De Friezen en Groningers munten vooral in het snel rijden uit, zoodat een rijder niet zelden eenen afstand van vier of vijf uren in één uur tijds aflegt" (p. 133). (Overigens werd de sprintafstand van "160 Nederlandsche ellen" in 1838 te Harlingen afgelegd in een tijd van 14 seconden.) De term "uur" als afstandsmaat, ofwel een "uur gaans", was in Nederland ook aan het eind van de 19e eeuw nog gangbaar. In het standaardwerk Tegenwoordige Staat van Nederland van H. Blink uit 1897 werd bijvoorbeeld vermeld dat het gebied van het landverlies langs de Noordzeekust een omvang had van 275 km lang was en circa "1 uur breed" (p. 237), dat de boerenplaatsen in Bellingwolde lagen "langs lange strooken van de Pruisische grenzen tot de Westerwoldsche Aa, soms van 1,5 uur gaans lang" (p. 332), en dat de Velperweg bestaat uit "schier één rij van villa's en buitens die Arnhem met Velp over ± 1 uur lengte" verbond (p. 388). In The Innocents (1869) beschreef Mark Twain hoe dit systeem t.t.v. zijn reis in 1867 inmiddels, door de nieuwere en snellere transportmogelijkheden, verouderd was geraakt, maar in het Midden Oosten nog steeds werd gehanteerd: "A good horse will walk three miles an hour over nearly any kind of road; therfore, an hour, here, always stands for three miles. This method of computation is bothersome and annoying; and until one gets thoroughly accustomed to it, it carries no intelligence to his mind (...). Distances traveled by human feet are also estimated by hours and minutes, though I do not know what the base of the calculation is."(Ch. 50) In 1917 schreef R. Schuiling in zijn de Beknopte Aardrijkskunde van Nederland het volgende: "de Nieuwe Hollandsche Waterlinie (...) volgt van Muiden tot de Amer den rand van het hellend vlak der hogere gronden (...) en is 12 uren gaans lang." (blz. 257). Nog steeds was het snellere particulier vervoer per auto (en fiets) en transport per trein nog niet zodanig ingeburgerd geraakt, en een psychologische werkelijkheid geworden (d.w.z. "tussen de oren" van de mensen gaan zitten) dat het "uur gaans" niet meer voor iedereen een duidelijk begrip was. problemen a.g.v. afwijkende (niet-gestandaardiseerde) maten, gewichten, afstanden In het Nieuwe Geographische en Historische Atlas van de Zeven Vereenigde Nederlandsche Provintien schreef Hendrik de Leth (1740) hoe dienstig het voor reizigers was om op de hoogte te zijn van het verschil tussen "allerhande maten" ten opzichte van de zogeheten "Rijnlandse" maten. Wat betreft de verschillende afstandsmaten schreef hij: "Derwijl allen Reisigers, de Oefening in de Landkaarten van zeer groot nut is, om dezelve op de Reise wel te kunnen gebruiken, zoo hebben wij goed gedacht ook het Verschil der mijlen, zoo die in Europa onderscheidelijk gerekent worden, hier bij te voegen":
Ook in de 19e eeuw waren deze afstandsmaten nog gangbaar, zoals blijkt uit de Nieuwe Stedenwijzer der 17 Nederlandsche Provincien van Evert Maaskamp uit 1821. In 1772 schreef Joseph Marshall in zijn eerste deel van Travels through Holland, ... in the Years 1768, 1769, and 1770 hierover in de Preface:
Schrijvers van reisgidsen die niet zelf ter plaatse poolshoogte hadden genomen, en klakkeloos informatie uit andere (vaak buitenlandse) reisgidsen of andere achtergrond literatuur overnamen, gingen hiermee regelmatig in de fout. Reizigers dreigden zo hun reisplanning te zien mislukken a.g.v. foutief berekende afstanden, benodigde reistijd, kosten, etc. Landkaarten en atlassen hanteerden tot in de 19e eeuw (zie o.a. Francis Coghlan) verschillende soorten mijlen, naar gelang het bijvoorbeeld een kaart van Italë, Duitsland of Groot Brittannié betrof (zie bijv. Black's General Atlas uit 1840). Zelfs in atlassen die alleen over de Engelse graafschappen (counties) ging was standaardisering van lengtematen niet vanzelfsprekend. John Ogilby (1600-76) was overigens de eerste die de gestandaardiseerde Engelse mijl van 1760 yards hanteerde (in Britannia - A Geographical and Historical Description of the Principal Roads therof, uitgegeven in 1675). Andere voorbeelden van de oude verschillende Europese afstandsmaten (mijlen, uren gaans, etc)
In het Kort Verhaal van de Nederlantsche Geschiedenissen van Hermannus Meijer, gepubliceerd in 1744, werd de (Nederlandse) mijl als lengtemaat gebruikt: "De omtrek [van de 7 verbonden provintien] is niet groot, want de lengte langs de Noortzee, maakt noch geen 60; de breette beneden omtrent 40, en boven noch geen 20 mijlen uit". (blz. 1, 2) huisvesting en voedsel (herbergen) De eerste herbergen en logementen lagen aan de handelswegen. Al in de Bijbel wordt gesproken over zogeheten "karavansera". Naast particuliere verblijfplaatsen (met name in de marktsteden) waren er ook militaire gebouwen (c.q. 'schuutersdoelen') waar soldaten werden ingekwartierd. Etymologisch stamt het woord "herberg" van het Hoogduitse "herberga"= legerplaats. Ook kloosters boden onderdak (lees bijv. James Boswells verslag van z'n terugkeer uit Corsica, "at the island of Capraja, where I led the most curious existence in a convent of poor Francescan monks"). In de 13e eeuw wordt in Dordrecht melding gemaakt van het logement/herberg "Eghemonde"; in de 14e eeuw was er "de Helm" in Den Haag. Welgestelde mensen hadden vaak introductiebrieven bij zich waarmee ze onderdak konden krijgen bij de pastoor, ambassadeur, stadsecretaris, etc. Soms waren het kastelen of hoven die door een vooraanstaand burger werden bewoond, onder voorbehoud dat de edelman er ten alle tijde kon verblijven. Het Reisboek van Jan ten Hoorn vermeld eind 17e eeuw zo'n 100 logemaenten in de belangrijke handelsstad Amsterdam. De 18e-eeuwse Nederlandse herberg wordt in de Grand Tour (1749) door Thomas Nugent als volgt beschreven:
Over de 18e-eeuwse herbergen in Duitsland, inclusief Oostenrijk, schrijft Nugent in deel 2 van de Grand Tour (2e druk, 1756) het volgende:
En in deel 3 van de Grand Tour (1756) beschrijft Thomas Nugent de situatie in Italië als volgt:
Ter beveiliging van lijf en goed adviseert Nugent dat "a traveller should always be furnished with some iron machine to shut his door
on the inside (...) for it frequently happens that the doors of the lodging-rooms have neither locks nor bolts." (p. 38) risico van ziektes en ongedierte In het Reisboek van Jan ten Hoorn (1679) geeft het hoofdstuk "Reys-Medecynboek" een goede indruk van het soort kwalen en ziektes waarop reizigers zich moesten voorbereiden, ofwel "Eenige korte geapprobeerde Remedien, dienstig voor alle Persoonen die eenige ongemak op de Reyse overkomen": - 't Gebeurd menigmaals dat men door de koude lugt te Scheep, in Schuiten en op Wagens het Kolijk of Winden komt te krijgen (...) - Door de heete zon, en het hossen van Wagens, komt dikmaals te gebeuren dat u neus aan 't bloeden geraakt (...) - Door de koude lucht of schrale winde, krijgt men dikwils een ruisinge en suisinge in het oor (...) - Het gebeurd ook dat iemand, heet zijnde, gedronken heeft, het Pleuris komt te krijgen (...) - Zomtijds is de lugt besmet met pestilentiale giften (...) [men dacht dat o.a. malaria door de lucht werd overgedragen] - Wanneer gij ter Zee vaart, en bevreest zijt tegen de Scheeps- of Zee-ziekte en het overgeven of braaken (...) - Is't dat gij Loop krijgt, en noodzakelijk uit de Stad moet zijn (...) - Het komt oock menigmaals te gebeuren dat iemand een flaaute of qualijkheid werd overvallen (...) - Wanneer iemand op een plaats geslapen heeft, daar hij meend dat het Morbum Gallicum of zo men zegt de Spaanse Pokken geregneerd heeft, of bij dusdanige Persoonen die daar mede besmet zijn, geslapen heeft (...) [hiermee werd syfillis bedoeld] - Ook gebeurd het dat wanneer men veel komt te Reyzen, dat men bij wijlen op bedsteden komt te slapen, die somtijds met Luyzen bezaayd zijn (...) - ook gebeurd het dat meenig Persoon, wegens het ongemak door het Reizen veroorzaakt, met een Koorts bevangen word (...) [dit kon door allerlei ziektes worden veroorzaakt, inclusief malaria]. Al in de 16e en 17e eeuw was voor het reizen vaak een health certificate (bill of health) verplicht (zie Maczak (blz 93-99). Met name in zuidelijke delen van Europa heersten nog ziektes zoals malaria ('Roman fever') en cholera, waardoor met name in de Zuid-Europese steden reizigers soms te maken kregen met quarantaines, en andere onaangename maatregelen. In The Innocents (1869) beschrijft Mark Twain hoe hun schip soms dagenlang in quarantaine voor een haven moest blijven liggen, en hoe hij in een Italiaans stadje werd onderworpen aan een "fumigation" in een "little stone cell": "Presently a smoke arose around our feet - a smoke that smelt of all the dead things of earth, of all the putrefaction and corruption imaginable. (...) They fumigated us to guard themselves against cholera, though we hailed from no infected port. We had left the cholera far behind us all the time. However, they must keep epidemics away somehow or other, and fumigation is cheaper than soap." (Ch. 20) In de 19e eeuwse novelle Daisy Miller van Henry James komt de gelijknamige heldin aan deze "Roman fever" te overlijden. In veel reisverhalen werd gewag gemaakt van het, voor buitenlanders ongezonde klimaat in Nederlanders. Vaak werd het toegeschreven aan de kou, vochtigheid van het land, de bedorven moerasdampen, en de slechte kwaliteit van het water. In A Journal of Travels (...) n the years 1805 and 1806 merkt de Amerikaan Benjamin Silliman (een scheikundige aan de Amerikaanse Yale University) op dat zelfs de koeien er tegen beschermd moesten worden ("Even the domestic animals of Holland appear to be liable to injury from the dampness of the air, for we observed the cows in the meadows covered with blankets, to protect them from the dews", uit vol. 2, p. 309), en dat elke buitenlander op enig moment de tol moet betalen voor het ongezonde Nederlandse klimaat. Aangekomen in Rotterdam op 14 oktober 1805 schrijft hij:
Dit soort verhalen kwamen in veel reisverhalen voor van o.a. William Temple in de 17e eeuw (1672) en James Boswell, die last had van melancholie en depressiviteit, in de 18e eeuw. Het boekje van Temple, getiteld Observations upon the United Provinces, werd nog tot ver in de 18e eeuw uitgegeven (de 8e Engelse editie verscheen in 1747) en door buitenlanse reizigers geraadpleegd. Er verscheen ook een Nederlandse vertaling, Aenmerckingen over de Vereenighde Nederlandtsche Provintien ( 1673) en Franse vertaling, Remarques sur l'estat des Provinces Unies des Païs-Bas (1680). De passage over de kans op ziektes in Nederland werden in hoofdstuk 4 behandeld ("Of their People and their Dispositions", c.q. in de vertaalde versie van het boek: "Van hun Volck en des selfs Geaertheyt"):
Vaak werden ziektes verzwegen of waren de oorzaken onbekend. Mensen die het zich konden veroorloven trokken in de minst gezonde periodes van het jaar, bijv. gedurende de zogeheten 'hondsdagen' naar hun buitenverblijven buiten de stad (o.a.aan de Vecht). In steden als Utrecht en Amsterdam was er een bloeiende handel in geïmporteerd flessenwater. De informatie over ziektes en het ongezonde klimaat werd ook in 19e eeuwse reisgidsen vaak klakkeloos overgenomen, en overdreven, wat het toerisme naar Nederland natuurlijk niet bevorderde. In het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden (1839) merkte A.J. van der Aa hierover het volgende op:
In zijn opsomming van de diverse "landziekten"die in Nederland voorkwamen, noemde Van der Aa (1839) vooral de verkoudheden, de "koortsige en koortsvrije zinkingziekten, galkoortsen, "vele anderendaagsche, derdendaagsche en dubbele derdendaagsche koortsen, de typheuze ziekten (die hier minder heersten dan in andere landen), maagkwalen (als gevolg van het "onmatig gebruik van koffij en thee", vooral onder vrouwen), en de zenuwziekten (volgens de toenmalige stand der kennis gedeeltelijk te wijten aan "het voortdurend misbruik van warme dranken, die, inzonderheid in onze meestal laag gelegen en vochtige landen, de vezels verslappen en verteederen", en volgens Van der Aa ook aan "de veelvuldige, hoofd- en hartverpestende, romanteske geschriften, vertooningen, spelen enz., welke de gevoeligheid van het zenuwgestel onmatig verhogen" deel1, pp. 128, 129). Allerlei Nederlandse "leefregels" werden aan het klimaat toegeschreven, zoals het nuttigen van jenever (tegen de gevolgen van de kou) en de, door buitenlanders vaak erg hinderlijk en ongezond gevonden rookgewoonte van Nederlanders (vooral in openbare ruimtes waarin men dicht opeengepakt zat, zoals in koffiehuizen en de ruimen van trekschuiten) . Benjamin Silliman maakte hier herhaaldelijk opmerkingen over:
Daarentegen werd het reizen steeds meer als een probaat middel gezien tegen allerlei kwalen (doktersadvies!), en trotseerden mensen als Wilbur Fisk (Travels in Europe, 1838) en Mariana Starke (Travels in Italy between 1792 and 1798) alle mogelijke risico's (veiligheid en onbekende ziektes) in de overtuiging dat het uiteindelijk hun gezondheid ten goede kwam.
betalingsverkeer (met name tussen de vele kleine Duitse en Italiaanse staten) Het regelen van de financiële middelen waarover een reiziger tijdens een reis door Europa moest beschikken, vergde veel voorbereiding. Engels geld werd in de meeste grote Europese steden wel geaccepteerd, maar het was riskant grote sommen geld bij zich te dragen. Dus was het gebruikelijk dat men hiervoor gebruik maakte van een Londense bank met contacten in Europese steden, waar men dan het benodigde geld in de plaatselijke valuta kon opnemen, al dan niet op vertoon van een letter of credit, of een bill of exchange. De letters of credit (kredietbrieven) werden echter per post verzonden, en in de 18e eeuw was dit nog geen snelle en betrouwbare methode. Voor bills of exchange (geldwissels) werden vaak hoge provisiekosten in rekening gebracht, en ze werden, met name door kleinere banken, niet altijd geaccepteerd. In ItalIë en Duitsland kwam daarbij nog het probleem dat reizigers niet te veel geld in een plaatselijke valuta moesten opnemen omdat aangrenzende staten of steden vaak weer een andere valuta hanteerden:
Thomas Nugent beschrijft in de Grand Tour van 1756 (2e druk) dat de situatie In Frankrijk voor toeristen relatief eenvoudig was ("France being subject all to one prince, has not such a variety of coin as some other countries, which makes it easier for travellers", p. 38) en contrasteert dit met de de onoverzichtelijke toestand in bijvoorbeeld de Duitse staten:
Nugent's "short list" is vervolgens maar liefst 6 pagina's lang. In het aan Italië gewijdde deel van de Grand Tour, beschrijft Nugent een vergelijkbare situatie, met een evenlang overzicht van munten:
onveilige gebieden (a.g.v. oorlogssituaties of banditisme, rondzwervende werkloze soldaten) Gewapende geleides, of in ieder geval één of meer wapens op zak, waren niet alleen in de middeleeuwen vaak noodzakelijk, maar zelfs in de 19e eeuwse reisgidsen werd in bepaalde gebieden nog op de noodzaak of wenselijkheid van het dragen van wapens in bepaalde gebieden gewezen. Zie bijv. de reisgidsen van Crofutt, Appleton, Baedeker en Murray uit die tijd. Europa was inmiddels wel grotendeels veilig. Maar voor een reis naar nieuwere reisbestemmingen (Verenigde Staten, Midden Oosten, india of Afrika) lag dat anders. Nog in de 18e eeuw (de tijd van o.a. James Boswell) liepen reizigers bovendien het risico in tijden van politieke spanningen "bij wijze van represaille" (Reizen en Pleisteren, 1895) als gijzelaar te worden opgepakt. In 1792 zat Mariana Starke in Nice, destijds onderdeel van het Koninkrijk van Sardinië, toen het Franse leger de stad innam, en lukte het haar op het nippertje de stad te ontvluchten. Ze beschreef dit voorval in deel 1, hoofdstuk 2 van Travels through Italy between 1792 and 1798:
Ook Benjamin Silliman moest tijdens zijn reis in 1805 naar het door de Fransen bezette Nederlanden voortdurend op zijn hoede zijn. In de Journal of Travels in England Holland and Scotland in the Years 1805 and 1806, was hij tijdens zijn overtocht van Londen naar Rotterdam getuige van een treffen tussen enkele oorlogsschepen ("last evening we saw a partial sea-fight", A Journal of Travels, 3rd ed. vol. 2, p.265), en moest hij voortdurend op zijn woorden letten, en zich aan verhoren en controles van de Franse autoriteiten onderwerpen. Ook in haar reisgids Information and Directions on the Continent van 1820 (en in latere edities), probeerde Mariana Starke haar lezers gerust te stellen. Ze richtte zich in een extra "Advertisment" tot een lezerspubliek dat nog erg huiverig was zich naar het Europese Continent (het voormalig oorlogsgebied) te begeven:
En in de 'Introduction' van haar in 1819 geschreven ging Mariana Starke verder in op de grote vooruitgang die er tijdens en na het Napoleontische tijdperk (sinds haar laatste bezoek aan het Europese Continent aan het eind van de 18e eeuw) voor reizigers geboekt was:
Starke beschreef in een latere brief aan John Murray nogmaals een voorval dat liet zien hoe overdreven de verhalen over onveiligheid soms waren:
Starke's behoefte om dergelijke verhalen te ontkrachten waren ingegeven door haar zorg over een mogelijk instortende vraag naar haar reisboek. Evenzo waren sterke verhalen over onveiligheid niet zelden ingegeven door de romantische wens van reizigers om het thuisfront te imponeren met avontuurlijke verhalen, en/of om de eigen naïviteit, onvoorzichtigheid en onbesuisdheid toe te dekken. Het tegenovergestelde kwam ook voor. Toeristen (en reisgidsen) verzwegen of bagetaliseerden de ellendige toestand van het wegvervoer, de herbergen, veiligheid, ziekte, en ruwe overtochten over het Kanaal, om het thuisfront niet bezorgd te maken, zichzelf niet in de put te praten, of om niet kleinzerig of laf over te komen op de mensen thuis die al bij voorbaat skeptisch waren geweest over de romantische, avontuurlijke (en in hun ogen naïeve en ondoordachte) beslissing om voor langere tijd door Europa te gaan reizen. In de loop van de 19e eeuw werd het toerisme steeds meer bevorderd door nieuwe technologische uitvindingen. Er verschenen snellere en goedkopere transportmiddelen waardoor buitenlandse reizen ook binnen het bereik kwamen van een opkomende middenklasse met beperkte financiële middelen en minder vrije tijd, betere diensten op het gebied van geldwisselen, hotels boeken, etc. van organisatorische pioniers zoals Thomas Cook , en allesomvattende praktische reisgidsen waardoor een persoonlijke governor, tutor, bear-leader, chaperone, of courier niet meer noodzakelijk was. douanecontroles Italië en Duitsland waren nog niet verenigd en er waren dus veel grenzen),en controles. De Noord-Duitse confederatie onder Bismarck dateert van 1866-1867, en het Duitse Keizerrijk werd in 1871 gevestigd. De Italiaanse eenwording vond plaats in 1861 (zonder de Pauselijke Staten en Venetië) Thomas Nugent beschrijft de situatie in het 18e eeuwse Italië als volgt:
Ook in de 19e eeuw was er nog geen gestandaardiseerd paspoortensysteem. Paspoorten waren niet altijd nodig. In Reizen en Pleisteren (1895) schrijven de auteurs: "wij kennen nauwelijks een paspoort". Murray's Hand-Book for Travellers (Northern Germany) maakte reizgers er wel op attent dat een paspoort voor Engelse reizigers zeer aan te raden was. De 1866-editie van Harper's Handbook for Europe and the East vermeldde dat, behalve de Pauselijke Staten en Rusland, nu ook Oostenrijk weer het paspoortsysteem had ingevoerd. In Murray's Hand-Book van 1860 stond nog dat "no person is allowed to travel on the continent without a passport". Achterin dit Hand-Book vond men een advertentie met de volgende informatie:
Mark Twain (die in zijn boek The Innoocents Abroad van 1869 regelmatig naar zijn reisgidsen verwijst) was tijdens zijn Europese tour in 1867 overigens aangenaam verrast te merken dat bij aankomst in Odessa, en zijn audientie in het keizerlijk zomerverblijf in Yalta, zijn Amerikaanse reisgezelschap bijzonder hartelijk werden ontvangen en dat een paspoort niet nodig was. Het Amerikaanse Appleton's European Guide van 1873 noemde Frankrijk, Rusland en Portugal als landen waarvoor een paspoort essentieel was ("it is not essential elsewhere"), maar in een voetnoot werd vermeld dat deze verplichting voor Frankrijk per april 1872 was komen te vervallen (na het vredesverdrag met Duitsland). Reizigers hoefden slechts hun naam aan een politieagent op te geven. Appleton's gids van 1887 noemde Rusland, Turkije en Portugal als landen waarvoor een paspoort noodzakelijk was. In Harper's Hand-Book for Travellers in Europe and the East , die reizigers als Mark Twain (The Innocents Abroad) ongetwijfeld bij zich hadden tijdens hun tour door Europa in 1867, ten tijde van de Wereldtentoonstelling van Parijs in dat jaar, werd beschreven hoe men een Amerikaans paspoort diende aan te vragen:
De eerste toeristen: pelgrimstochten, jaarmarktbezoek, en de 'grand tour' Iter pro peregrinis ad Compostellam, ca. 1140 (Wikipedia) wordt wel beschouwd als de vroegste reisgids. Het beschrijft de reis die pelgrims aflegden vanuit Frankrijk naar Santiago de Compostela in Noord-Spanje, met praktische info over de aanbevolen rustplaatsten of religieuze bezienswaardigheden, en waarschuwingen tegen slecht voedsel, oplichterijen, etc. Het geeft ook een beschrijving van de stad Santiago de Compostela en haar kathedraal. Deze reisinformatie staat beschreven in het 5e boek van de door monniken geschreven Codex Calixtinus. Ook Rome was altijd al een populair reisdoel geweest voor een pelgrimstocht, sinds het jaar 1300 vooral tijdens het 25-jaarlijkse (of 50-jaarlijkse) jubeljaar (link). Voor alle pelgrimsoorden en de pelgrimstochten ernaar toe gold dat men er het nuttige met het aangename kon verenigen. De vrije dagen op de kerkelijke kalender (holy days) was een moment van bezinning én van ontspanning. Tijdens de tochten voelde men zich verlost van de strenge regels en beperkingen die er thuis, in de steden golden. Daarnaast vervaagden tijdens zo'n tocht de verschillen tussen de verschillende maatschappelijk rangen en standen (een kenmerk van toerisme door de eeuwen heen). Dat dit ook vaak tot losbandigheid leidde maakte dat de geestelijkheid tegen de uitwassen waarschuwden, en dat sommige pelgrimstochten zelfs door het wereldlijke gezag zelfs verboden werden. Dit laatste gold bijvoorbeeld de pelgrimstocht van Gent naar St. Lievens-Houtem die door Karel V werd verboden (Concessio Carolina van 1540). In de Canterbury Tales beschreef Geoffrey Chaucer (1340-1400) zo'n groep pelgrims die te voet en te paard vanuit Londen vertrokken om na enkele dagen de bedevaartplaats Canterbury te bereiken, waar Thomas à Becket in 1170 was vermoord en in 1174 heilig verklaard. De pelgrims vertegenwoordigden alle lagen van de bevolking, en voor de veilgheid reisden ze doorgaans in groepen. Een aantal van Chaucers pelgrims waren (net als Chaucer zelf) flink bereisd. De Merchant had contacten in o.a. Sluys en Middelburg, de Squire had in de Honderdjarige Oorlog tegen de Fransen gevochten in Vlaanderen, Artois en Picardië, en de Knight was op kruisvaart naar het Heilge Land geweest. Het beste voorbeeld van een reislustige pelgrim die het nuttige met het aangename wist te verenigen was de levenslustige Wife of Bath:
De pelgrimstocht van Engeland naar Jerusalem duurde in die tijd een jaar, en zoals uit The Book of Margery Kempe blijkt was zo'n tocht voor vrouwen vol gevaar. In Galicië lag de bedevaartplaats Santiago de Compostella, in Cologne bevond zich de graftombe van de Wijzen ("Magi") en waren de beenderen van 11.000 maagden bijgezet, en in Boulogne aanbad men het houten beeld van de Heilige Maagd Maria. Phyllis Hodgson stelt in het Voorwoord bij haar editie van de Prologue dat "the holiday jaunts of the Wife are set against the Crusades of the Knight and the incessant journeyings of the Parson throught the length and breadth of his huge parish". Daarnaast nam in de 16e eeuw vanuit Noord-Europa de behoefte toe om kennis te maken met de bakermat van de Renaissance (Florence). Italiaanse steden als Florence, Venetië, Siena en Genua waren al in de 12e en 13e eeuw belangrijke steden, zowel cultureel als commercieel. Ook vond men in Italië belangrijke universiteiten (o.a in Bologna, Padua, Modena, Siena, zie link). Buitenlandse studenten die aan deze universiteiten stonden ingeschreven ontvingen speciale privileges, waardoor ook het reizen naar andere steden en staten in Italië makkelijker werd. De Itinerarium Italiae van Franciscus Schottus was de eerste reisgids voor Italië (1603). Sinds de onafhankelijkheid van de Republiek der Verenigde Nederlanden in 1579 (Unie van Utrecht) nam de wens onder rijke kooplieden en regenten toe om, net als de adel, hun zonen voor langere tijd naar het buitenland te laten reizen ('grand tour'). Het werd als een Educatieve Reis beschouwd waarbij het doel vaak een studie aan een buitenlandse universiteit centraal stond. Tot de opkomst van goede Nederlandse universiteiten in het begin van de 17e eeuw stond een titel behaald aan een buitenlandse universiteit in hoog aanzien. Ook een bezoek aan Genève stond hoog op de agenda. De stad was een bolwerk van Gereformeerden, en er waren goede educatieve faciliteiten voor taal, schermen, dansen en paardrijden (dressuur). Een populaire reisgids werd de Franse wegengids Le Guide des Chemins de France (28 herdrukken tussen 1552 en 1668). In 1570 publiceerde Philips van Marnix van St. Aldegonde als eerste Nederlander een beschrijving van de Grote Tour. Vanaf 1578 circuleerde er ook werken van Justus Lipius die als een goede basis voor de Educatieve Reis (Grand Tour) werd beschouwd (Epistola de Fructu Peregrinandi et Praesertim in Italia). Het populaire zakwoordenboekje Colloquia, et Dictionariolum Octo Linguarum, van Noel de Berlaimont, verscheen vanaf 1530 in Antwerpen, en zou onder verschillende titels, en in verschillende talencombinaties, ruim anderhalve eeuw in circulatie blijven. De Grand Tour was dus niet alleen een Brits fenomeen voor rijke jongelui uit adelijke kringen. Het gebruik om na een universitaire studie voor een maandenlange culturele reis door Europa te maken, met name naar Italië, de bakermat van de Renaissance, dateerde al van het eind van de 16e eeuw. Maar pas met de Vrede van Münster in 1648, na de Tachtigjarige/Dertigjarige Oorlog (waarin het Protestantse deel van Europa voortdurend in conflict was met het Katholieke Spanje), kwam de Grand Tour echt van de grond. De bloeiperiode van de Grand Tour wordt vaak gedateerd in de periode van 1660 tot 1840. Althans voor zover het Engeland betreft. Bekende namen van Engelse "Tourists" waren John Milton (1638), Laurence Sterne (A Sentimental Journey, 1768), James Boswell, Samuel Johnson (1775) , Lord Byron (ca. 1800). In Voyage of Italy (1670) ging Richard Lassels (c. 1603 - 1668) uitvoerig in op de route en opzet van de Grand Tour:
In een opsomming van de aspecten van elk land waarmee de Engelse aristrocraat zijn voordeel zou kunnen doen, noemde Lassels ook Nederland:
Het opdoen van talenkennis, wellevendheid, omgangsvormen, karaktervorming waren belangrijke aspecten van de Grand Tour in de 16e en 17e eeuw. Wat betreft de doelgroep en het nut van de Grand Tour schrijft Lassels: - "It makes the merchant rich by shewing him what abounds and wants in other countries, and so he may know what to import, what to export." - "It makes the mechanic [= ambachtsman] come loaden home with a world of experimental knowledge for the improving of his trade." - "It makes the field officer a knowing Leader of the Army, by teaching him where an army in foreign countries can move securely, pass rivers easily, incamp safely, avoid ambuscadoes and narrow passages discreetly, and retreat orderly." - "It makes the common soldier play the spy well, by making him speak the enemies language perfectly, that so mingling with them, he may find their designs, and cross their plots." - "In fine, it makes a nobleman fit for the noblest employment, that is, to be ambassador abroad for his King in foreign countries (...)." Beroemde voorbeelden van personen die vóór 1670 de Grand Tour hadden gedaan waren Sir Philip Sidney (1554 - 1586), dichter, soldaat, en in 1577 benoemd tot ambassadeur van het Duitse rijk, reisde ruim 3 jaar door de Nederlanden, Frankrijk, Italië, Duitsland, Polen en Hongarije, vergezeld van een half-Italiaanse mentor, drie bedienden, en vier paarden. Henry Hexham (1585?–1650?), auteur van het eerste grote tweetalige woordenboek A Copious English and Netherduytch Dictionarie (1647-1648), en van militaire handboeken waarin hij de innovatieve Nederlandse manieren van oorlogsvoering beschreef, zoals The Principles of the Art Militarie, in 3 delen, uitgegeven in 1637-1640, en Drilling the Dutch Army on the Battlefield, Principii uit 1642. John Milton (1608 - 1674), dichter en staatsman. Voor een buitenlandse reis was in 1670 nog een Royal License (Koninklijke Licentie) nodig. Een invloeddrijke vroege reisgids over de Grand Tour, waarin het Europa t.t.v. van Shakespeare werd beschreven, was "An Itinerary" van Fynes Moryson uit 1617 (1e editie). Het geeft praktische informatie over 12 Europese landen. Volgens de Oxford English Dictionary werd de term 'grand tour' voor het eerst gebruikt in de Voyage of Italy, geschreven door Richard Lassels in 1670 (link). De eerste belangrijke reisgids over de Grand Tour, geschreven door Thomas Nugent († 1772), werd in 1749 uitgegeven in Londen. De titel luiddeThe Grand Tour, Containing an exact Description of Most of the Cities, Towns and Remarkable Places of Europe, in 4 delen, In 1756 verscheen de 2e druk, en in 1778 de derde en laatste druk. Thomas Nugents boek was in de 18e eeuw even gezaghebbend als de Baedeker-gidsen een eeuw later. Deel 1 van de 1749-editie gaat over Nederland (in de latere 1778-editie gaat het over Italië), deel 2 gaat over Duitsland (met reisbeschrijvingen van Hamburg naar resp. Kopenhagen en Stockholm, en vanuit Frankfurt naar resp. Warschau en Moskou), deel 3 over Italië, en deel 4 over Franrijk (met aparte reizen naar Madrid en Lissabon). "Grand Tourists" als Laurence Sterne en James Boswell hadden ongetwijfeld een exemplaar van Nugents reisgids op zak: "the definitive guide to their adventures [was] Thomas Nugent's The Grand Tour, well thumbed copies of which [were] tucked in every gentleman's frock-coat pocket" (Time magazine website (link). De "Grand Tour" van Thomas Nugent (ca 1700 - 1760) was het eerste werk waarin de Tour als een min of meer vaste route werd beschreven: Vanaf Dover ging het meestal per zeilboot naar Calais (dan wel Oostende, of Le Havre), vervolgens naar Parijs, Zwitserland (Geneve, Lausanne), dan over de Alpen naar Italië (Florence, Venetië, Milaan, Napels), en daarna door de Duitstalige gebieden (Wenen, Dresden, Berlijn, Potsdam), via de Lage Landen (Nederland / Vlaanderen) weer terug naar Engeland. Spanje werd meestal overgeslagen (soms ging men nog wel naar Barcelona), evenals Zuid Italië, en het Ottomaanse Rijk. Er waren tijden waarin het toerisme sterk afnam door de voortdurende conflicten en oorlogen tussen onder andere Frankrijk en Engeland, zoals tijdens de Zevenjarige Oorlog (1754/56/57-1762/63, in de VS bekend als de French and Indian War).
Het einde van de hoogtijdagen van de Britse (en Noord-Europese) Grand Tour werd ingeluid door de Franse Revolutie (1789) en de oorlogen tijdens de Napoleontische periode (1799-1815). Engelse toeristen meden Frankrijk noodgedwongen. Degenen die zich nog wel een Grand Tour wilden en konden veroorloven, zoals Lord Byron, weken in deze periode soms uit naar Spanje, Portugal of het Ottomaanse Rijk (tot 1830 inclusief Griekenland). Gebieden die tot dan toe meestal niet in de Grand Tour waren opgenomen. Vanaf circa 1840, werd De Grand Tour weer populairder, maar het reizigerspubliek was nu minder elitair. In 1846 schreef Charles Dickens schreef Travelling Letters voor een Londense krant over zijn reis door Frankrijk en Italië, en later dat jaar Pictures from Italy. Onder invloed van stoomschepen en het spoornetwerk, kon er nu sneller en goedkoper gereisd worden. Het leven in Florence was goedkoper dan in Londen, en 's winters een stuk aangenamer. Je hoefde niet steenrijk te zijn en niet langer over onbeperkte vrije tijd te beschikken (een Grand Tour per zeilschip en koets duurde meestal zo'n 6 maanden en vaak wel een jaar of langer). Veel mensen reisden in die tijd naar Zuid-Europa om gezondheidsredenen. Mariana Starke besteed hier veel aandacht aan (ze begeleidde een ziek familielid, en in Francis Coghlan's Hand-Book for European Tourists (1847) is er, op verzoek van de uitgever, zelfs een aparte bijlage over dit onderwerp toegevoegd ("A Word to Invalids"). De auteur van deze bijlage, Thomas Smith M.D., professor aan Trinity College, Cambridge, merkt in een voetnoot op dat "probably the majority of those who travel, are, to a greater or less extent, Invalids; and it is hoped that the few remarks now offered, may prove a useful guide to those who travel under such circumstances". Een aantal nieuwe faciliteiten en ontwikkelingen zouden die de snelle toename in het toerisme verder stimuleren:
Vooral na de Amerikaanse Burgeroorlog (1865) werd de Grand Tour populair onder Amerikanen. Bekende voorbeelden zijn Mark Twain (The Innocents Abroad verscheen in 1869), en romanschrijver Henry James (met in Europa gesitueerde boeken als Daisy Miller, Portrait of a Lady, the Aspern Papers). The Portrait of a Lady speelt zich af in de belangrijkste plaatsten van de Grand Tour (Londen, Parijs, Genève, Florence en Rome). In Rome bezichtigt het hoofdpersonage, Isabel Archer, dezelfde plaatsen als haar Amerikaanse landgenoten ("and yet not seeing many of the items enumerated in her Murray", chapter 27). In The Aspern Papers (1888) wijst Henry James op het verschil tussen de Amerikanen die in het begin van de 19e eeuw naar Europa reisden en de "perpetual ferryings of the present hour" in de tweede helft van de 19e eeuw:
reisgidsen, vertalers, couriers, valets de place, ciceroni, 'dragomen', etc. tijdens de grand tour Al in het 17e eeuwse Italië konden toeristen gebruik maken van de diensten van een zogeheten "procaccio", een reisleider die geheelverzorgde groepsreizen verzorgde vanuit Rome naar Napels. Zo'n groepsreis duurde dan bijvoorbeeld 14 dagen en de van tevoren afgesproken prijs was inclusief vervoer, verblijf en het bezoek aan attracties. Omstreeks 1650 maakten ook Nederlanders als Constantijn Huijgens Jr. en Arnout Hellemans Hooft tijdens hun grand tour ("educatieve reis") ongetwijfeld gerbruik van een procaccio. In Rome wemelde het bovendien van de 'lacqueys' die hun diensten aanboden, maar zoals Thomas Nugent waarschuwde in zijn Grand Tour (1756), de reiziger "should be cautious how he trusts them, for they are generally sad fellows". Vaak kon ter plaatse een goede gids, of "antiquarian", gehuurd worden (ook wel "cicerone" genaamd). Nugent geeft hierover het volgende advies:
Tijdens de grand tour waren de zogeheten 'couriers' vaak onmisbaar om praktische zaken te regelen, een geschikte herberg te vinden, onderhandelingen te voeren in de vreemde taal, etc. Joseph Marshall waarschuwde in zijn eerste deel van Travels through Holland, ... , nadat hij zijn eerste voet op Hollandse bodem had gezet, (op 8 april 1768) tegen de afzetterij (impositions) die buitenlanders al tijdens de overtocht van Harwich naar Hellevoetsluis ten deel viel:
Volgens iemand die hij tijdens de overtocht had gesproken: "I am to expect nothing less than being fleeced unmercifully; and if I make any resistance, am to look only for a brutal superiority, not only from the inferior magistrates, but also from every common fellow I have a dispute with"). Maar Marshall waarschuwt tegen vooroordelen tegen Nederlanders en hun afzetterij "I was never full of an idea of Dutch politeness, but these opinions, I think, cannot be very well founded" (p. 12). Het vooroordeel bleef desondanks ook in latere reisgidsen hardnekkig terugkeren (niet alleen over Nederland). Over het belang van een goede tolk schreef Marshall in de Preface:
Ook Benjamin Silliman, die de talenkennis van Nederlanders roemde ("the Dutch probably speak more languages than the people of any other country in Europe", vol. 2, p. 284), vond de diensten van zijn "travelling valet" onmisbaar:
In het midden van de 19e eeuw gold met betrekking tot 'couriers' nog hetzelfde advies, zo blijkt uit de Handbook for Travellers on the Continent van John Murray:
Murray geeft een lange opsomming van de taken die een courier had te vervullen. Hij zorgde voor het contact met herbergiers, postmasters, etc, onderhandelde over prijzen en controleerde of de rekeningen wel klopten, hij reisde voor de koets uit en regelde bij de posthuizen alvast verse paarden, zorgde voor het onderhoud aan de koets, zag onderweg toe op het in- en uitpakken van de bagage bij controleposten, beheerste de vreemde taal, kon brieven schrijven om bijv. schriftelijk een kamer te reserveren, en kon tot slot ook nog redelijk koken en kleding reinigen, of laten reinigen. Ook aan het eind van de 19e eeuw, hadden de reisgidsen van Murray en Baedeker de diensten van ciceroni en couriers nog niet overbodig gemaakt. Wie het kon betalen schakelde nog graag de diensten van een courier in. Zo vervult in de novelle Daisy Miller (1880) van Henry James het personage Eugenio de stereotype rol van 'courier' en wordt Daisy Millers gezelschapsheer Mr. Giovanelli een keer als 'cicerone' aangeduid. Tijdens haar eerste week in Rome had ze bovendien gezelschap van een "echte" cicerone: "one of those dreadful old men that explain about the pictures and things". Over de wenselijkheid van het inhuren van een courier adviseerde Appleton's European Guide Book in die tijd (in de jaren-70 en -80) het volgende:
In zijn Satchel Guide to Europe (verschenen vanaf 1872) was William Rolfe resoluter in zijn advies om alleen in het uiterste geval gebruik te maken van de diensten van couriers en ciceroni:
Goede praktische reisgidsen en -handboeken, zoals Murray's of Baedeker's, in combinatie met een gedichtenbundel van Lord Byron voor de coleur locale, en een reiswoordenboek als Murray's Hand-Book of Travel Talk (uitgegeven vanaf 1844 tot 1927) of Baedeker's Manual of Conversation (uitgegeven van 1836 tot 1905), maakten de functie van de valet de place, courier en cicerone vaak overbodig. De Amerikaan William Wetmore Story schreef in de jaren-1860: "Every Englishman abroad carries a Murray for information, and a Byron for sentiment, and finds out by them what he is to know and feel by every step" (from: Roba di Roma, 1863, 2nd ed., Vol I , p.7). En Baedeker schreef in de Preface van Baedeker's Manual of Conversation :
In de Preface van Murray's Hand-Book of Travel Talk (1858) vermeldde John Murray, de samensteller ervan, met een kritische verwijzing naar eerder verschenen Manuals of Conversation zoals dat van Baedeker :
Murray benadrukte bovendien voor de vermelding van herbergen en hotels in zijn gidsen geen enkele betaling werd aanvaard, en dat kwaliteit de enige manier was om een gunstige vermelding te krijgen. In de Introduction van de 19e-eeuwse reisgidsen geeft Murray de volgende waarschuwing ("caution to innkeepers and others"). Dit was een stimulans voor hoteliers en herbergiers om hun diensten op een hoger niveau te brengen:
nieuwe doelgroep: "travel for invalids" ( vanaf eind 18e eeuw) Naast de culturele en andere motieven die toeristen in de 17e en 18e eeuw op reis lokten, kwam er in de 19e eeuw het gezondheidsmotief bij. De geneeskrachtige werking van warme (of koude) mineraalbronnen, zoals van de Romeinse heetwaterbaden in Bath, was al van oudsher bekend ( 'spa' = sanus per aquam), en in het midden van de 18e eeuw kwam daar de belangstelling voor de geneeskrachtige werking van zeewater bij (de beroemde arts Richard Russell (1687- 1759) adviseerde zelfs inwendig gebruik, link). Naarmate de gezondsheidsproblemen in de steden verder toenamen, en het sterftecijfer als gevolg van longaandoeningen (pulmonary diseases, chest problems) zoals tuberculose (consumption) en aandoeningen aan het spijsverteringsstelsel (digestive system) schrikbarend steeg, nam de belangstelling voor het klimaat en het belang van reizen verder toe. Ook voor geestelijke klachten als depressies en stress, waarvan het verband met lichamelijke klachten empirisch bekend was, werd reizen, en verandering van klimaat, door medici als heilzaam beschouwd:
Of zoals de medicus Sir James Clark het in zijn gezaghebbende boek "The Influence of Climate in the Prevention and Cure of Chronic Diseases " (1829) stelde:
Wie het kon betalen en de tijd had, werd aangeraden het land, en vooral de steden te verlaten wanneer het maar kon (het is veelzeggend dat de medicus Sir James Clark het in zijn gezaghebbende boek "The Influence of Climate in the Prevention and Cure of Chronic Diseases " (1829) had over "the general health of many among the higher and middle classes of society in this country", en niet over de arme mensen uit de lagere klasse). In het koude natte najaar en winterzeizoen werden warmere oorden gezocht. En in de warme stoffige zomers trok met naar de zee en de spa's ("watering places"). Op plaatsen met natuurlijke waterbronnen ontstonden kuuroorden. In Engeland dateert de opkomst van Brighton als "Queen of the Watering Places", ook wel "Dr Brighton" genoemd, al vanaf de 18e eeuw.
Medici wezen op het het heilzame klimaat in Brighton: het had meer zonlicht dan Londen, een mildere temperatuur (koeler in de zomer en warmer in de winter), en een minder vochtige lucht (door snelle opname van vocht in de kalkbodem). De zeelucht en het zeewater was goed voor de gezondheid, en vlakbij Londen werden ook "watering places" als Ramsgate, Margate en Broadstairs populair. Goede sanitaire voorzieningen, hotels, en amusement zorgden ervoor dat niet alleen mensen met ademhalingsproblemen, tbc, huidziektes, jicht, rheumatiek en andere lichamelijke kwalen naar Brighton kwamen, maar ook mensen die geestelijke verlichting zochten, weg van de spanningen en eentonigheid van het dagelijkse bestaan in de drukke stad. Brighton werd een populaire vakantiebestemming voor steeds meer welgestelde mensen. Wie het kon betalen kocht er een buitenverblijf, in navolging de Royal Pavillion die de Prince of Wales, de latere Koning George IV (hij leed aan jicht) , er vanaf 1787 liet bouwen, of trok (vooral na 1815) naar kuuroorden in België of Duitsland (in combinatie met een tochtje langs de Rijn), Zwitserland, of het Middellandse zeegebied. Mariana Starke besteedde in haar Letters from Italy Between the Years 1792 and 1798 gepaste aandacht aan de invloed van het klimaat op "invalids". In de Appendix van de eerste editie van Letters from Italy (1800), en ook in de latere edities van haar werk, geeft Starke aanwijzingen in het hoofdstuk "Climates of the Continent":
Starke beschreef dat haar familieleden waarmee ze naar Italië reisde aanvankelijk waren geadviseerd om via Frankrijk naar Italië te reizen en de winter in Nice door te brengen als de beste plaats om te genezen van longaandoeningen, maar "experience convinced us thast we might have adopted a more eligible plan; as we saw at Nice no instance of recovery from pulmonary consumption". in haar Travels, beschreef Starke haar verblijf in Nice gedurende de inname door Napoleon in oktober 1792. Haar verblijfplaats in Engeland was Exmouth, in het zuidwesten van Engeland. Volgens vooraanstaande Britse medici in de 19e eeuw, zoals Sir James Clark (1788-1870), auteur van het standaardwerk The Influence of Climate in the Prevention and Cure of Chronic Diseases (1829), en van Treatise on Pulmonary Consumption (1835), was het klimaat in het kustgebied van Devonshire (Torquay, Dawlish, Exmouth, Salcombe en Kingsbridge) bijzonder heilzaam. Gedurende de hele 19e eeuw, werden mensen met gezondheidsklachten geadvisserd het gebied voor kortere of langere tijd te bezoeken. Een door A&C Black gepubliceerde reisgids beschreef het klimaat van Devon als volgt:
In dezelfde reisgids werd Penzance, in Cornwall (ofwel "the District of Land's End") aangeraden "as a summer residence for invalids, and a s a place of residence during the whole year", en plaatsen als Bristol, Clifton en Bath ("the West of England"), met een meer verkwikkend klimaat, werd vooral aangeraden voor "invalids with relaxed, languid habit; many cases of dyspepsia: affections of the mucous membrane attended with much secretion: and in scrofulous affections of young persons". Ook Thomas Smith M.D. baseerde zich in de bijlage "A Word to Invalids on Travelling, Exercise and Climate" in Francis Coghlan's Hand-Book for European Tourists (1847) op de bevindingen van de Engelse arts Sir James Clark. Hij wees op het gezondheidsprobleem in de Engelse steden, met name in Londen, dat door Dr. Clark was aangeduid als "Cachexia Londoninensis". Gedurende bepaalde periodes van het jaar ontstond er daardoor een grote uittocht van van Londenaren en andere stedelingen naar gezondere oorden, in zowel binnen- als buitenland.
Al in de directe nabijheid van Londen waren er plaatsen waar de lucht aanzienlijk beter was, en waar de rijkere Londenaren zich vaak vestigden, zoals in Chelsea, Brompton, en Islington. De in Engeland heersende westelijke winden zorgden ervoor dat de verontreinigde lucht van de Londense binnenstad de andere kant opwaaiden. In Leigh's Handbook of England and Wales (1828) stond: "Islington is an extensive village in Middelsex, and is noted for the salubrity of its air".
Kustplaatsen als Brighton, Yarmouth en Blackpool, maar ook andere dorpen en stadjes die aan het begin van de 19e eeuw nog onbeduidende vissersplaatsen of plattelandsdorpjes waren, groeiden in de loop van de 19e eeuw uit tot belangrijke toeristische trekpleisters. In 1829 schreef Sir James Clark al over de "vast increase in the size of our watering places, of late years, and the deserted state of London during several months" als bewijs voor "the increasing convictioon among the public in general, that for the preservation of health, it is necessary, from time to time, to change the relaxing [= 'verslappend'], I may say deteriorating air of London, for the more pure and invigorating air of the country" (p.8). Plaatsen als Leamington, Matlock, Scarborough, Moffat (volgens Leigh's Roadbook omschreven in 1830 "a pleasant village, (...) much celebrated for its mineral waters, and goat's whey") en Buxton (in 1830 met 1211 inwoners en "celebrated for its waters, which annually attract more than 500 visiters" [sic!]) werden steeds populairder en waren in 1880 uitgegroeid tot vakantieoorden waaraan uitgeverij Ward, Lock & Co in 1880 aparte reisgidsen wijdde (deze 'shilling guides", later ook wel "Red Guides" genoemd, waren voor een groot publiek bestemd). In Baedeker's Great Britain van 1887 werd het in de Peak District gelegen Buxton, "one of the three chief inland watering-places in England" genoemd. Buxton had toen een inwonertal van 6000 "which is doubled or trebled during the summer-season". In 1863 beschreef Black''s Guide for England and Wales het plaatsje, dat toen nog 1877 inwoners, als volgt:
Uitgeverij A&C Black publiceerde in 1864 een reisgids, getiteld Where Shall We Go? Guide to the Healthiest and Most Beautiful Watering Places in the British Islands, waarvan regelmatig een nieuwe editie werd uitgegeven, en waarin een lange lijst reisbestemmingen was opgenomen voor mensen met gezondheidsklachten:
Europese kuuroorden (watering places, spa culture, health resorts) Voor een warmer, gelijkmatiger, en droger klimaat was een grotere reis nodig. Francis Coghlan's Hand-Book for European Tourists (1847) beschreef de buitenlandse bestemmingen met het beste klimaat voor allerlei aandoeningen (o.a. tuberculose). Naast het groeiende aantal binnenlandse badplaatsen en kuuroorden met minerale bronnen, waren de belangrijkste Europese bestemmingen voor "invalids" die wilden overwinteren (zie Francis Coghlan): Kanaaleilanden: "St. Aubin's is considered one of the best suituations for invalids" Pau: "the mildness of the spring, and its little liability to winds, renders this place favourable in diseases of the air passages". Province: "on persons of a torpid or relaxed habit of body, and of a gloomy, desponding cast of mind, with whom a moist relaxing atmosphere disagrees, the keen, bracing, dry air of Province, and its brilliant skies, will often produce a beneficial effect" Nice: "chronic bronchitis (...) is very much mitigated, if not entirely cured, by a winter residence at Nice, where the invalid is able to be a good deal in the open air (...) [and] cases of gout and rheumatism are also much benefited by this climate" Florence: "its bracing influence is beneficial in certain forms of asthma, in dyspepsia arising from debility in the stomach, in gout, and even in scrofulous enlargements of the glands, which disappear by a residence in Florence" Pisa: "one of the most favourable climates in Italy for consumptive patients" Rome: "the physical qualities of of the climate of Rome strongly recommend it for pulmonary invalids" Napels: "where there is no particular local disease, and the invalid is merely suffering from general debility, and derangement of the general health consequent on that, a winter residence in Naples may prove highly beneficial" Voor een zomerverblijf ging de voorkeur uit naar: Napels, Sorento, Castelamare, Ischia, Sienna, en Lucca Zwitserland: "Geneva, and more particularly those portions bordering on the Lake are the best summer residences" Duitse spa's: "much frequented, not merely by invalids from Italy, but also by large numbers who go there direct from England" Een belangrijke voorwaarde voor deze plaatsen om uit te kunnen groeien tot populaire toeristische bestemmingen, was dat er naast een gunstig klimaat en geneeskrachtige wateren, ook voldoende accommodatie, recreatieve faciliteiten (cultuur, pitureske omgeving, fysieke activiteiten), en efficiënte transportmiddelen aanwezig moesten zijn. Een belangrijke schrijver van resigidsen naar de Europese badplaatsen (watering places) en kuuroorden (spas) was Edwin Lee: Continental Travel with an Appedix on (...) the Remedial Advantages of Travel (1848?) Bradshaw's Invalid's Companion to the Continent Watering Places of England Cheltenham and its Resources (1851?) The Effects of Climate on Tuberculous Diseases The Baths of France, Central Germany and Switzerland The Principal Baths of France Notes on Italy and Rhenish Germany Amerikaanse kuuroorden (health resorts and spas) In Amerika onstonden in het begin van de 19e eeuw de eerste kuuroorden in upstate New York, in Ballston en Saratoga, per boot bereikbaar via de Hudson rivier. Zie o.a. Timothy Dwight's Northern Traveller. picturesque tourist (vanaf eind 18e eeuw), the "fashionable tour" De periode vanaf de Franse Revolutie tot en met de Napoleontische oorlogen betekende het einde van de grand tour. Toeristen, schrijvers en artiesten die op zoek waren naar culturele en spirituele verrijking richtten hun blik meer op het binnenland. De mystieke Keltische cultuur (zoals al eerder onder de aandacht gebracht in o.a. de Schotse reisverhalen van Dr. Johnson en James Boswell), en de pitureske, ongerepte natuur, zoals beschreven door o.a. William Wordsworth en Sir Walter Scott, bleken een grote trekpleister. De Wye Valley met het beroemde Tintern Abbey, de Peak District, en de Lake District werden geliefde oorden, en het was was niet toevallig dat de eerste uitgave van The Picturesque Tourist van de (in Edinburgh gevestigde) uitgeverij A&C Black gewijd was aan Schotland (de eerste editie verscheen in 1839), en de opmaat vormde voor een aantal andere titels met dezelfde naam. Ook in de VS kwam er steeds meer aandacht voor de ongerepte natuur als vakantiebestemming. Weliswaar ontstond die belangstelling later dan in Europa omdat de natuur buiten de grote steden nog te bedreigend was. Maar met name op de bestaande route naar de kuuroorden Ballston ("Balsston Spa") en Saratoga ("Saratoga Springs") langs de Hudson River, en aan de Canadese kant van de grens kregen welgestelde toeristen steeds meer oog voor het "pitureske". Net als de roman Waverley (1814) van Walter Scott, die ook in de VS erg populair waren, bijdroegen aan de aantrekkingskracht van de ongerepte natuur in het algemeen en Schotland in het bijzonder, droegen ook de boeken van Washington Irving (Rip van Winkle verscheen in 1819 en The Legend of Sleepy Hollow in 1820) en James Fenimore Cooper (The Pioneers verscheen in 1823 als eerste deel van de Leatherstocking Tales) sterk bij aan de waardering voor de (geromantiseerde) natuur, met name van de Hudson Valley. En het waren, na de oorlog van 1812-1814 tussen de VS en Groot-Brittannië, de reisgidsen van Madison, Dwight en Gilpin die de tot dan toe in onder een kleine groep welgestelden populaire "fashionable tour", langs de Hudson River, de Niagara Falls, enzovoorts onder een breder publiek bekend maakten.
verbetering van toeristische infrastructuur tijdens 19e eeuw: hotels, transport, sanitaire faciliteiten, recreatiemogelijkheden, promotie Een belangrijke factor bij het versterken van het toerisme is de beschikbaarheid van voldoende, goede accommodatie. In Leigh's Road Book of England and Wales (ca. 1830) wordt hieraan al aandacht besteed. In de belangrijkste culturele bestemmingen, pitureske gebieden, badplaatsen en kuuroorden ('watering places' en 'spas') verschenen, in de voetsporen van een aantal buitenverblijven van de rijkeren (zoals in Brighton), meer en meer herbergen en hotels voor hen die zich anders geen langer verblijf zouden kunnen veroorloven. In de Index van Black's Guide to England and Wales van 1863, was aan de hand van het aantal hotels en herbergen in één oogopslag te zien wat de belangrijkste bestemmingen voor reizigers en toeristen waren. Zo waren er circa 1860 drie of meer herbergen (inns) of hotels in: (Abergavenny), (Alnwick), Aberystwith, (Altrincham) , Ambleside, Andover, Arundel, Bangor (6338 inwoners, 7 herbergen), Barnet, Basingstoke, Bath, Beaumaris, Berwick-on-Tweed (1365 inwoners, 5 herbergen, vlakbij Lyndisfarne), Bingham, Birkenhead (13 herbergen/hotels, in 30 jaar zeer sterk gegroeide havenstad) , Birmingham, Bolton, Bognor, Bolton, Bridgend, Bridlington, Brighton, Bristol, Bury, Bury St Edmund's, Caermarthen, Callington, Cambridge, Cheltenham ("its situation is healthy and picturesque", mineral waters, 5 hotels, 39.693 inwoners), Chesham, Chester, Christchurch, Clitheroe, Congleton, Corwen, Coventry, Cowes, Cranborne, Cuckfield, Deal, Derby, Devonport, Doncaster, Dover ("the hotels and inns are numerous") , Dunstable, Durham, Ellesmere, Epsom, Exeter, Exmouth ("the oldest and most frequented watering place in Devon... celebrated for the mildness of its climate", 3 herbergen/hotels, 5228 inwoners), Eye, Falmouth, Farnham (Surrey) Fleetwood, Gainsborough, Gateshead, Glastonbury, Gloucester, Gosport, Grantham, Gravesend (7 herbergen/hotels), Guildford, Halifax, Harrowgate ("celebrated for its mineral springs, which are annually visited by about 2000 persons, ... and possessing ample accommodation", 17 herbergen/hotels, 4737 inwoners) , Hastings, Hatfield, Haverford-West, Holbeach, Holyhead, Honiton, Horsham, Huddersfield, Hull, Ipswich, Ivy Bridge, Kenilworth, Keswick, Knaresborough, Leamington ("one of the most fashionable spas in the kingdom", 11 herbergen/hotels, 17.948 innwoners), Leeds, Leicester, Leighton Buzzard, Lincoln, Littlehampton, Liverpool, London, Longton, Loughsborough, Lowestoft ("remarkably pituresque", 6 herbergen/hotels, 10.663 inwoners), Ludlow, Luton, Macclesfield, Maidenhead, Manchester, March, Margate ("has become of late years one of the most favourite and frequented watering-places in the kingdom", 8874 inwoners, 6 herbergen/hotels), Marlborough, Maryport, Matlock (4 hotels, ...) , Merthyr Tydvil, New Bolingbroke, Newark, Newbury, Newcastle-on-Tyne, Newmarket, Newnham, North Allerton, Northampton, Nottingham, Oldham (4 hotels, ...), Oswestry, Otley, Overton, Oxford, Padstow, Penzance, Plymouth, Preston, Ramsay (in Huntingdon), Ramsgate ("greatly resorted to as a bathing placeby visitors from London and elsewhere', 5 herbergen/hotels, 11,865 inwoners), Reading, Rhayader, Rhyl, Ringwood, Ripon, Rochdale, Rochester, Ross, Royston (Herts), Rugby, Ruthin, Ryde, Rye, Saltash, Scarborough ("combines the advantages of sea-bathing with mineral baths, 6 herbergen/hotels, 18,377 inwoners) , Selby, Shaftesbury, Sheffield, Sherborne, Shrewsbury, Sidmouth ("a fashionable watering place", 2572 inwoners), Solihull, Southam, Southport, Southampton, Spalding, St Albans, St Asaph, St. Ives, St Neot's, Staines, Stafford, Stockport, Stockton, Stroud, Sunderland, Tamworth, Tavistock, Taunton, Torquay, Totness, Tunbridge Wells("a celebrated watering place ... celebrated for the salubrity of its air, and the neighbourhood is extremely picturesque andf beautiful", 13.807 inwoners, 5 herbergen/hotels)Tynemouth, Uxbridge, Wakefield, Warminster, Warwick, Wednesbury , Welchpool, Weymouth, Whitby, Whitehaven, Wigan ("in the vicinity is a sulphurous spring", 37.658 inwoners, 5 herbergen),Windsor, Wisbeach, Witham, Witney, Woburn, Wolselwy Bridge, Wolverhampton, Worcester, Workington, Worthing ("watering place", 6 herbergen, 5805 inwoners), Yarmouth (Isle of Wight), Yarmouth (Norfolk, 9 herbergen/hotels, 34.810 inwoners), Yeovil, York. Ook publiciteit in de vorm van advertenties, reisliteratuur en reisgidsen was vaak doorslaggevend bij de totstandkoming en bevordering van het toerisme naar een bepaalde bestemming. Saratoga haalde Ballston in als toeristische attractie, niet omdat het pituresker was, beter bereikbaar was, of betere bronnen, accomodatie of transportmogelijkheden bezat, maar omdat er een betere publiciteitscampagne achter zat. De initiator daarvan was Gideon Davison. Stedelingen lazen de verhalen, kochten Morisons reisgids of zagen de advertenties voor Saratoga bronwater. "tourists" vs. "travellers" (vanaf eind 18e eeuw) De zoektocht naar nieuw ongerepte bestemmingen, weg van de gebaande paden, leidde tot een onderscheid tussen de termen "tourist" en "traveller". De meer romantisch en avontuurlijk ingestelde plezierreiziger noemde zichzelf liever "traveller' dan "tourist". Romantische dichters als Lord Byron (maar ook Germaine de Staël en William Hazlitt) zetten zich af tegen het conventionele reispatroon van de grand tourists. Byron werd zelf een voorbeeld van een avontuurlijke "traveller". Hij reisde bijvoorbeeld naar het onrustige, revolutionaire Griekenland in de periode toen de "tourists" het Europese Continent meden. In zijn gedicht Childe Harold's Pilgrimage (uitgegeven tussen 1811 en 1817) beschrijft hij het gevoel dat een romatisch en avontuurlijk ingestelde toerist bekroop wanneer die zich met vele medetoeristen langs de overbekende toeristische attracties van Rome trok:
In de loop van de 19e eeuw, tijdens de nieuwe bloeiperiode van de Grand Tour voor de hogere middenklassen, met name ook uit de VS, kwam de vraag op of men de door Baedeker of Murray beschreven standaardroutes moest volgen, of (als "travellers") op zoek moest naar nieuwe, ongerepte en avontuurlijkere bestemmingen. De Amerikaanse romanschrijver Henry James gebruikte de reisgids van Murray (en de oude mannetjes die zich als cicerone aanboden) zelfs als metafoor van conventionaliteit en gebrek aan fantasie. In The P ortrait of a Lady beschreef James de onconventionele en avontuurlijke Isabel Archer tijdens haar bezoek aan Rome (circa 1872, korte tijd na haar aankomst in Europa):
Isabel Archer ontpopte zich als een "traveller" die zich daarmee onderscheidde van haar sociale omgeving. Mrs. Touchett verbleef bijna permanent in Florence, Edmund Rosier in Parijs, Ralph Touchett vanwege zijn gezondheid afwisselend in de watering places Nice en Corfu, Gilbert Osmond in zijn Italiaanse villa en soms in Rome. Isabel weerstond de druk om zich meteen ergens definitief te vestigen en besloot, ondanks de druk van haar omgeving (Caspar Goodwood, Lord Warburton en Gilbert Osmond) haar droom te volgen en een wereldreis te maken, gevolgd door nog een reis, samen met Madame Merle, naar o.a. Egypte en Griekenland. Ze had met veel enthousiasme de bekende grand tour gemaakt door de vier landen die haar tante, Mrs. Touchett, voor haar sociale en culturele ontplooiing in gedachten had: van New York via Engeland (Liverpool, Londen), naar Frankrijk (Parijs), Zwitserland (Genève), en Italië (Florence en Rome). Maar haar avontuurlijkheid, fantasie, impulsiviteit en vrijheidsdrang voerden haar verder dan haar landgenoten. Tegen de Engelse aristocraat, Lord Warburton, die deze Isabels behoefte om haar horizon te verbreiden, niet begreep en haar "mysterious purposes' toedichtte, zei ze:
Met name John Murray probeerde steeds in te spelen op deze behoefte (met reisgidsen voor Egypte, Algerije, etc.), maar zodra er over een reisbestemming een gids van Murray op de markt kwam, was het al gauw geen nieuwigheid meer. Steeds weer dook de discussie op tussen de touristen die graag zo weinig mogelijk aan het toeval overlieten, en de meer avontuurlijk ingestelde "travellers" die, net als de 19e eeuwse auteur van reisverhalen Bayard Taylor, de wereld "with knapsack and staff" wilden verkennen. Bayard Taylor's Views A-Foot, or Europe Seen with Knapsack and Staff verscheen voor het eerst in 1946 en in 1859 verscheen de 24ste editie. In het laatste kwart van de 20ste eeuw werd het verschil tiussen travellers (dan wel "backpackers") en tourists opnieuw benadrukt in de eerste gidsen van Lonely Planet. Zie bijvoorbeeld de Lonely Planet reisgids Australia, A Travel Survival Kit uit 1977. De term 'backpacker' verscheen voor het eerst in 1981 in Papua New Guinea, A Travel Survival Kit. In het ook door Lonely Planet uitgegeven Africa on the Cheap (1977), zette auteur Geoff Crowther de discussie op scherp door te stellen dat "Unless you're into travelling as a way of life, don't tell yourself you're not a tourist if that's what you really are". heyday of coaching (1780-1830), itineraries, post-books, gazetteers, stranger's guides, ambulators Met de toenemende behoefte van een grotere groep mensen om vanuit de steeds groter en drukker wordende steden naar verderweg gelegen "exotische'" reisbestemmingen te reizen, nam ook de vraag naar betere openbare vervoersmiddelen, wegen, èn wegengidsen toe. In de steden konden zich maar weinig mensen een eigen koets of rijtuig met paarden en bedienden veroorloven. Wandelen was dus vaak de enige manier om erop uit te gaan. Vanuit Londen en Parijs kon men zo op een dag de directe omgeving van de stad verkennen. De eerste Ambulators verschenen. Ambulator: Stranger's Companion in a Tour Round London, 1774 (1st ed.) Ambulator: or A Pocket Companion in a Tour round London, within the Circuit of Twenty-Five Miles, R. Lobb (7e, 1794; 9e, 1800) met informatie over Londen, en een alfabetische lijst van bezienswaardigheden (plaatsen, huizen), bedoeld voor "the man of leisure (...) and the man of business"
Vergelijkbare gidsen ("stranger's guides") verschenen er voor allerlei Europese steden. De hoogtijdagen van het openbaar koetstransport beginnen dus in de tijd dat mensen steeds meer de geïndustrialiseerde steden willen ontvluchten (circa 1780) en eindigen met de opkomst van de spoorwegen (1830-1840). Een redelijk betrouwbaar beeld van hoe oncomfortabel, tijdrovend en omslachtig het aanvankelijk (circa 1780) nog geweest moet zijn om met de postkoets van bijvoorbeeld Londen naar Parijs te reizen (inclusief de oversteek per zeilboot van Dover naar Calais) staat beschreven in A Tale of Two Cities van Charles Dickens. De verwijzingen naar de postkoets in het begin van het verhaal zijn overigens enigszins anachronistisch omdat het zich afspeelt in het jaar 1775, terwijl de eerste postkoets pas in 1884 zou verschijnen (tussen Londen en Bristol). In de openingsscène van A Tale of Two Cities wordt een mail coach voortgetrokken door 4 paarden, en heeft 3 passagiers aan boord, een koetsier en een bewaker (guard), uitgerust met "a loaded blunderbus" en "six or eight loaded horse pistols". De koets is uit Londen vertrokken langs de slecht begaanbare Dover Road. Op Shooter's Hill moeten de passagiers zelfs uitstappen:
De inzittenden moest men een stevige leren band vastgrijpen om niet door de koets geslingerd te worden, en "the mail coach lumbered, jolted, rattled, and bumped upon its tedious way". Na de zware nachtelijke reis wordt de koets in Dover opgewacht door een bediende van het Royal George Hotel:
Ook een retourreis, jaren later, vanuit Parijs bleek een beproeving, vooral voor passagiers die haast hadden:
In de loop der jaren werden de postkoets, het post-systeem en de postwegen sterk verbeterd, en daarmee werd ook het reizen aantrekkelijker. In het begin van de 19e eeuw waren de ontwikkelingen in met name Frankrijk (danwel het gebied dat onder het bewind van Napoleon lange tijd deel had uitgemaakt van het Franse Rijk), maar ook in Groot Britannië en de Verenigde Staten sterk verbeterd, terwijl de situatie in de (Noordelijke) Nederlanden, dat pas in 1810 volledig in het Franse Rijk werd ingelijfd, daar aanvankelijk sterk bij achterbleef. In zijn Journal of Travels in Engeland, Holland and Scotland in 1805 and 1806, schreef dat de Nederlandse wegen over het algemeen slecht gegaanbaar waren en de kwaliteit van postwagens ver achterliep bij de Engelse en Amerikaanse. Uit Jacob van Lenneps dagboekbeschrijving van zijn voetreis door Nederland in de zomer van 1823 bleek meermalen dat een reis per postwagen nauwelijks voordelen had boven een reis te voet. Een gezond persoon volbracht moeiteloos lange voettochten van 8 uur of meer per dag en wandelde zo op een dag een hele provincie door. Harde wegen, slecht weer, slecht passend schoeisel en voetblessures maakten soms dat een reis per postwagen de voorkeur kreeg, maar vaak ging dat nog langzamer dan te voet. Over de reis van Almelo naar Deventer schreef Van Lennep:
Terwijl Thomas Nugent halverwege de 18e eeuw (zie boven) de Nederlandse postwagens nog gelijkwaardig aan de Engelse vond, schreef de Amerikaan Silliman begin 19e eeuw dat "the Dutch are at least a century behind the English, and indeed they are far behind our countrymen [= the Americans] also in the facilities of conveyance." (Journal of Travels, 3rd ed. 1820, vol. 3, p. 21) Benjamin Silliman gaf een uitvoerige beschrijving van de Nederlandse postwagen die hem in oktober 1805 van Rotterdam naar Antwerpen vervoerde:
Britse (en Franse) uitgevers van wegenboeken (itineraries = road-books, post books) speelden op de groeiende reislust van mensen in. Wegengidsen als die van Daniel Paterson en John Cary voorzagen in een groeiende vraag. Ze werden tijdens de hoogtijdagen van de postkoets regelmatig bijgewerkt en heruitgegeven. Daniel Paterson, de 18e-eeuwse schrijver van "A New and Accurate Description of all the Direct and Principal Roads in England and Wales", was assistent van George Morrison, Quarter-Master-General of His Majesty's Forces. Het boek gaf een precieze beschrijving van de wegen en afstanden in Engeland en Wales. Het beschrijven van bezienswaardigheden (het 'toeristische element') was nog bijzaak:
Niet altijd werd de schrijver van dergelijke routebeschrijvingen genoemd, zoals van het eerder genoemde A New and Accurate Description of the Present Great Roads and the Principal Cross Roads of England and Wales (uitgegeven door R. & J. Dodsley, Pall Mall, Londen, 1756). Dit boek geeft overigens na elke routebeschrijving wél uitvoerige informatie over de belangrijkste plaatsen langs de route, in geografische volgorde (dus niet alfabetisch zoals in een gazetteer) Gazetteers zijn geografische woordenboeken, ofwel alfabetische lijsten met namen en beschrijvingen van plaatsen, die vaak in combinatie gebruikt werden met een atlas. In feite is het Domesday Book van 1086 een vroeg voorbeeld van zo'n inventarisatie van plaatsen, 'onroerend goed', bevolking, etc. In de VS was Jedidiah Morse de eerste geograaf die het plan opvatte voor een gazetteer. (Hij publiceerde het in 1797, nà Joseph Scott in 1795) Een ander Amerikaans voorbeeld, uit het pre-spoorwegtijdperk, was de Traveller's Directory through the United States van geograaf, topograaf en cartograaf John Melish (voor het eerst uitgegeven in 1814, geheel herzien in 1822):
De routebeschrijvingen bevatten, behalve de afstanden tussen de plaatsen, ook korte oriënterende opmerkingen over de loop van rivieren en riviertjes in de omgeving en over enkele bezienswaardigheden langs de route. Voor het reizen per koets op het Europese Continent was een "post-book" onmisbaaar. Mariana Starke noemde het als één van de noodzakelijke dingen om mee te nemen op reis. Samuel Leigh gaf in 1820 de "Post Roads of Europe" (Being a New Edition of the Work Published by Authority, During the Reign of Napoleon). overgangsperiode (1815 - 1840): eerste georganiseerde reizen, excursies, plezierreizen voor de hogere middenklasse De periode van 1815 tot circa 1840 was een overgangsperiode waarin het toerisme voor een grotere groep mensen aantrekkelijk én mogelijk werd. Engeland, de bakermat van de Industriële Revolutie liep hierbij voorop. Hoewel het toerisme aanvankelijk nog vooral binnenlands georienteerd was (naar de Lake District, Peak District, Wales, Cornwall, maar naar ook tal van badplaatsen, zoals Brighton, Ramsgate, etc.), maar geleidelijk aan trokken ook steeds meer Engelse toeristen naar het Europese vasteland. Vanaf 1821 voeren de eerste stoomboten over het Kanaal. Toeristen waren niet langer afhankelijk van de onregelmatige en onvoorspelbare afvaar- en oversteektijden van zeilschepen. Met zeilschepen kon de afvaart soms dagen worden uitgesteld afhankelijk van weer en wind, en de overtocht duurde soms enkele uren, maar kon ook 10 uur duren. Met de stoomboten (steam packets) kon op vaste tijden worden vertrokken en duurde de overtocht van Dover naar Calais (26 mijl) zo'n 3 uur, en soms 2,5 uur. Volgens Francis Coghlan's Guide to France uit 1829 (4e editie) kon men zo met de nachtkoets vanuit Londen in 58 uur in Parijs zijn:
De openbare nachtkoets van de firma Messrs. Chaplin & Co. uit Londen vertrok 'savonds om 7 uur vanaf de Universal Spread Eagle Office aan Regent Circus, Piccadilly, en om half 8 vanaf de "Spread Eagle and Cross Keys" in Gracechurch Street . Er kon in Londen voor £4,- een kaartje voor de hele reis naar Parijs worden gekocht, inclusief de overtocht met de snelle stoomboot (Government Steam Packet), en een aansluitende nachtkoets van de Franse firma Messageries Generales de France a Paris. Wanneer de passagier genoegen nam met een zitplaats voorop de koets in de buitenlucht was het kaartje nòg voordeliger (er waren 3 extra zitplaatsen naast de conducteur). Tussenstops waren mogelijk; de reis kon desgewenst met de volgende koets worden vervolgd. Een goedkoper alternatief was met de London Steam Boats vanaf de Tower Stairs in Londen naar Calais ( £1, 2 shiilings, 6 pence). Aan boord konden versnaperingen en maaltijden worden gekocht, en er was slaapgelegenheid en aparte faciliteiten voor dames. Voor zo''n 6 shillings extra kon er ook van tevoren een ticket worden gekocht waarbij alle extra kosten, inclusief maaltijden al waren inbegrepen, zoals breakfast, dinner with a bottle of porter, tea or supper, servants, boatage (het aan wal brengen in roeiboten), huur van een ladder in Calais (Guide to France, p. 15). De bootreis via de Theems naar Calais duurde 12 uur, maar kon soms wel 16 tot 18 uur duren. Het was vooral 's zomers een aantrekkelijke route (minder stof, hitte, schokken en stoten dan in de koets). Francis Coghlan schreef:
Een bezwaar was de zwarte rook die uit de schoorsteen van de stoomboot kwam, en waardoor "gentlemen who prefer travelling in white hats, will do well to wear either a hat cover, or a travelling cap, whilst on board the packets, as the smoke from the funnel will discolour it" (p. 14). Mariana Starke gaf zelf vaak de voorkeur aan reizen per boot, en adviseerde het met name aan mensen met gezondheidsklachten (o.a. longziekten). In haar Information and Directions for Travellers on the Continent (5e editie, 1823) noemde Starke als eerste: "a steam packet has recently established to run from her moorings, off the Tower of London, to Calais direct, every Wednesday and Saturday morning" (p. 327). Daarnaast noemde ze de steam packet van Dover naar Calais, met dien verstande dat ze van zeelieden had vernomen dat ze de stoomboten nog niet helemaal vertrouwden in ruwe weersomstandigheden ("nautical men appear to question the prudence of venturing in a steam packet, unless the weather be moderate"). Met de snelle zeilschepen van de posterijen (de zogeheten Post-Office Packets) kon ook nog 4 keer per week van Londen naar Calais worden gevaren. Daarnaast noemde ze de vaste verbindingen per stoomboot van Dover naar Bologne, en per zeilschip, ofwel "public packet", van Dover naar Oostende (4 x per week), Brighthelmstone (Brighton) naar Dieppe, Southampton naar Le Havre (2 x per week), Plymouth naar Bordeaux (tweewekelijks met een nieuwe 56-tons "sailing Cutter"). De diligence (openbaar vervoer) van Londen naar Parijs kon geboekt worden in herberg The White Bear, Piccadilly, Londen. Daarnaast konden er ook volledige reizen geboekt worden van Londen, via Parijs, naar Zwitserland en Italië bij de particuliere vervoersmaatschappijen van Dejean (Haymarket, Londen) en Emery ("an excellent Voiturin" met een kantoor in de White Bear, Piccadilly). Eigenaars van een koets konden hun voertuig, al dan niet met paarden, tegen betaling op de boot over het Kanaal meenemen. Voor een 4-wielige koets moest op het traject Dover-Calais £3 à £4,- betaald worden en voor een 2-wielig voertuig £2,-. Per paard kwam daar dan ook nog een bedrag bij. In de 5e editie van de Belgian Traveller uit 1827 noemt Edmund Boyce de mogelijkheid van een rechtstreekse verbinding per stoomboot van Londen, via de Thames, naar Rotterdam (2 à 3 keer per week van april tot november). Deze overtocht duurde zo'n 24 uur, en was een goed alternatief voor de overtocht van Harwich naar Hellevoetsluis. Boyce schreef dat er nog maar weinig zeilschepen van Londen naar Rotterdam voeren. Vanuit Rotterdam reed er een aansluitende diligence naar Den Haag. In de jaren tussen 1825 tot 1840 liep het aantal mensen dat de oversteek naar Europa maakte op tot zo'n 100.000 per jaar. Men wilde o.a.de Franse en Belgische slagvelden bekijken (in Parijs was de uitgeverij van Galignani in 1815 als reisagent begonnen met het organiseren van toertochten langs de slagvelden), of om weer een grote tocht naar Italië of andere landen te maken. De snel groeiende populariteit van reisgidsen van Samuel Leigh (zie onder) in die periode getuigden hiervan. Naast algemene landengidsen zoals Francis Coghlan's Guide to France (1828) en John Murray's Hand-Book for Travellers on the Continent (1836), verschenen en er ook aparte Engelstalige stedengidsen voor de populairste Europese bestemmingen aan de Belgische en Franse kust, zoals The Englishman's Guide to Calais, J. Albany, 1829
verbeterd weg- en watervervoer op het Europese Continent: postweg, tolweg, ijzeren spoorweg (eind 18e & begin 19e eeuw)
Enkele belangrijke factoren leidden eind 18e eeuw, begin 19e eeuw tot een verdere verbetering van het wegennetwerk: - openbaar personenvervoer volgens het posting-system - de toenemende snelheid en betrouwbaarheid van de posterijen m.b.t. brief- en pakket-bezorging - meer goederenvervoer a.g.v. Industriële Revolutie - meer en massalere militaire transporten tijdens de Napoleontische oorlogen. Onder Napoleon werd een postweg-systeem geïntroduceerd, waarbij passagiers gebruik konden maken van paardenkoetsen volgens vaste regels m.b.t. bijv. het vereiste aantal paarden per koets, etc. en tegen vaste tarieven, over vaste routes (postwegen / posting roads) reden. Voor snelle en efficiënte militaire transporten en troepenbewegingen, en snelle koeriersdiensten tussen Parijs en de plaatselijke bestuurscentra waren goede verbindingswegen noodzakelijk. Mariana Starke kon de sterk verbeterde toestand van de wegen, en andere openbare voorzieningen, van na het Napoleontische tijdperk goed vergelijken met de vroegere situatie. Ze maakte haar eerste Europese reizen tussen 1792 and 1798, en bezocht het Continent ook daarna voor langere tijd in de jaren1817-1819, en opnieuw in 1838, het jaar waarin ze in Milan kwam te overlijden. In haar Information and Directions for Travellers (7e druk, 1829) schreef ze:
De landroute door de Alpen (en Appenijnen) vormde in de 18e eeuw voor reizigers naar Italië een groot obstakel. Thomas Nugent schreef dat "there are but few passages through these mountains, and those of difficult access" (Grand Tour, 1756, Vol. 3, pp. 5, 6). Vóór de verbetering van deze bergpassage door Napoleon, moest de veelgebruikte passage van Zwitserland naar Italië die over de St. Gothardt soms zelfs kruipend worden afgelegd:
Onder Napoleon was de St. Gothardt toegankelijker gemaakt en in 1829 schreef Mariana Starke dat de reis van Fluelen in Zwitserland naar Bellinzone in Italië over deze berg "is easily accomplished in four days, whether on foot or on horseback" en dat "carriages may pass, by being dismounted, from Altorf to Giornico". In 1839, vermeldde ze in Travels in Europe (9e editie) dat de reis via de St. Gothardt nog maar 2 dagen duurde.
Ook de alternatieve Alpenroute vanaf Lyon naar Genua (of van Genève naar Susa en Turijn) over de Mont Cenis was onder Napoleon sterk verbeterd. In 1792 moesten Mariana Starke en haar familie nog met muilezels en draagstoelen worden vervoerd:
Behalve de Alpenroute over de Mont Cenis, kon men nu ook vanuit Oostelijke Zwitserland via de nieuwe weg over Mount Splugen naar het Como-meer, Milan of Venetië reizen. De westelijke (maritieme) Alpenroute over de Col-de-Tenda (van Nice naar Turijn) kon weliswaar ook in 1829 's winters niet veilg worden afgelegd, maar was toch sterk verbeterd in vergelijking met de situatie van vóór Napoleon. Tijdens een passage in 1792, beschreef Mariana Starke de situatie als volgt:
De weg die de lege koets volgde was aangelegd in opdracht van de koning van Sardinië en voltooid in het jaar 1785, maar toch nog te steil voor zwaardere vrachten. Een vierde verbeterde, zeer pituresque en populaire bergroute voerde door de Jura-Alpen, over de Simplon, en was in 1805 als militaire route voltooid: "this is the only passage of the Alps which human labour has made practicable for heavy ammunition-waggons and artillery" (Travels in Italy between 1792 and 1798, vol. 1, p. 42) Overige routes vanuit Frankrijk (bijv. via Marseilles) voeren over zee naar Leghorn. Deze zee verbindingen waren, tot de komst van de stoomboten, onregelmatig en weinig comfortabel. In de roman Washington Square van Henry James maken de hoofdpersonages in het midden van de 19e eeuw een grand tour door Europa en reden ze met hun koets over "the smoothness of posting roads". (Penguin-editie, p. 120) Ook in Nederland werd pas in de Napoleontische tijd, en onder Koning Willem I in het begin van de 19e eeuw, de situatie van de Nederlandse wegen aanmerkelijk verbeterd. Onder Napoleon werden de noordelijke en zuidelijke Nederlanden verenigd en ook werd de autonomie van de 7 provincies beperkt, waardoor de aanleg van een nationaal wegennetwerk makkelijker werd. Niet toevallig kwam in deze tijd ook het personen- en goederentransport bedrijf tot bloei van Van Gend en Loos (opgericht in 1796 door een huwelijk van koetsier Jan Baptist van Gend met hoteleigenaresse Maria Loos, die een oom had die al sinds 1783 een bodedienst had voor pakketten en brieven, en vanaf 1790 één van de eersten was die personenvervoer verzorgde met een uit Frankrijk afkomstig nieuw type postwagen, de diligence ('carrosse de diligence' = 'snelkoets'). (De eerste Nederlandse diligence, ook wel wisselwagen genoemd, dateert overigens al van 1764, en reed op Zutphen). De oorsprong van Van Gend & Loos lag in Antwerpen, in de Zuidelijke Nederlanden, een welvarende stad die sterk van de Industriële Revolutie had geprofiteerd. Er was, net als in andere steden, een reisbeluste middenklasse ontstaan die (samen met het verbeterde wegennetwerk) de sterke groei van vervoersbedrijven als Van Gend & Loos mogelijk maakte. Niet langer was het reizen over grotere afstanden voorbehouden aan een kleine elite die zich de kosten van een gerieflijke privékoets (of huurkoets) met paarden en rijder konden permitteren. Transportbedrijven als Van Gend & Loos vervoerden niet alleen personen en baggage, maar ook handelswaar en geld. Men maakte daarbij steeds gebruik van de nieuwste, snelste en betrouwbaarste modellen diligences. Onder Koning Willem I (1813-1840) werd het wegennet in de zowel de Zuidelijke als Noordelijke Nederlanden verder uitgebreid door de aanleg van verharde provinciale en rijkswegen. De verhardiing van (rijks)wegen was het gevolg van een Koninklijk Besluit uit 1821. De eerste verharde weg in Drenthe (buiten dorpen en steden) werd aangelegd tussen Zwolle en Groningen. Het traject Assen-Vries-De Punt kwam in 1825 gereed, en het lange stuk Meppel-Dieverbrug-Assen langs de Drentse Hoofdvaart in 1839. Provincies bleven overigens vaak achter bij het verder verharden van verbindingswegen, en gaven liever vergunningen en subsidies aan gemeentes (vanaf 1854), of aan particulieren voor de aanleg van tolwegen. Daardoor breidden het aantal verharde gesubsieerde- en tolwegen zich snel uit. In Drenthe liep de toale lengte van verharde wegen snel op van 82 kilometer (in 1850) tot 392 km (in 1875), 569 km (in 1900) en 1385 km (in 1925). Daarmee was nog niet alles gezegd over het onderhoud, en de kwaliteit ervan. Klinkerwegen kregen vaak een "kattenrug", en ook de spoorvorming op grindwegen maakte het reizen vaak verre van comfortabel. Pas door toedoen van de fietsersvereniging de ANWB kwam hierin vanaf eind 19e eeuw verbetering. In het ANWB-verenigingsblad De Kampioen van 1 maart 1890 wordt opgemerkt :"Ook onze grindwegen (...) blijven voor verbetering vatbaar. Voor velen, vooral in de kleistreken, zou het reeds een stap tot den vrede zijn, indien zij in het midden bestraat werden!" Er werden ook vergunningen verleend voor bedrijven die geregelde passagiersdiensten over de nieuwe wegen verzorgden, op basis van strakke, uniforme regels, naar Frans model. Het eerste openbare streekvervoer per koets/diligence was een feit (als voorloper van de hedendaagse streekbus). Er ontstonden diverse vervoersbedrijven die aanvankelijk passagiers en goederenvervoer op één vast traject verzorgden, maar al gauw waren er ook ondernemingen die het aantal bestemmingen steeds verder uitbreidden. In 1826 had van Gend & Loos één dagelijkse diligencelijn tussen Amsterdam en Antwerpen (vertrek 5 uur 's ochtends, aankomst 8 uur 's avonds). Eerst alleen een dagdienst maar al gauw ook een nachtdienst. Er konden twee routes worden gekozen: via Utrecht, Gorcum en Den Bosch, of via Haarlem, Den Haag, Delft en Rotterdam. In 1827 werd, in internationale samenwerking met een Frans vervoersbedrijf, de bestemming uitgebreid naar Parijs. Via Gent, Brussel en Lille, of over Mons en Valenciennes. Een reis per diligence van Amsterdam naar Parijs duurde in die tijd ongeveer 60 uur, tegen relatief lage kosten: 18,90 gulden. In 1828 kwam er een regelmatige diligence-lijn van Amsterdam naar Wageningen, Arnhem en Zutphen tot stand, waarbij in Wageningen kon worden overgestapt op een Pruisische diligence-verbinding via Nijmegen naar Kleef. Er was een terugval in de ontwikkeling van diligenceverbindingen tijdens de Belgische strijd voor onafhankelijkheid (1831). Maar nadat Willem I de Belgische onafhankelijkheid formeel erkende (1839) kwam een verdere stroomlijning van de diligencelijnen tot stand na de overname door Van Gend & Loos van een aantal concurrenten, zoals A.F. Bouricius, J.P. Koens & Co, H. Bogaerts & Co., A. Budde, Louis Vermeulen, en zelfs een trekschuitdienst in het westen van Nederland. De nationale en internationale verbindingen werden steeds beter. Voor overzeese toeristen werd een bezoek aan het Europese Continent daardoor steeds aantrekkelijker. Britse uitgevers als Samuel Leigh en John Murray speelden daar vervolgens op in. De door Samuel Leigh uitgegeven en door Edmund Boyce geschreven populaire reisgids The Belgian Traveller (die ook door John Murray werd gebruikt bij de voorbereiding van diens Handbook for Travellers on the Continent) bevatte een grote landkaart met daarop alle postwegen en posthuizen in de Lage Landen. Boyce beschreef in 1827 de gemiddelde Nederlandse diligence nog als een enigszins primitief voertuig:
De stiptheid en betrouwbaarheid van de Nederlandse diligence wordt door Boyce geprezen, en ook de regels die gelden voor zowel koetsiers als passagiers. Er waren zelfs regels gekomen met betrekking tot rokende passagiers of het vervoer van huisdieren golden regels: "No one is permitted to smoke, or even to take his dog in the diligence, without the full consent of his fellow-travellers." (Boyce p. 100) In 1827 was de trekschuit nog steeds een belangrijk, zo niet het belangrijkste, openbare vervoermiddel voor personen. Maar 10 jaar later was deze postitie in het grootste deel van Nederland overgenomen door de diligence. Murray's Handbook for Travellers beschreef de verbeterde situatie van het wegvervoer per diligence in 1837 als volgt:
* Dit lijkt een drukfout; in een latere editie van Murray's Handbook (1860) is het 14 gulden. Het gebruik van trekschuiten voor personenvervoer had volgens Murray nu (in 1837) veel nadelen ten opzichte van de diligence (traagheid, eentonigheid, rokerigheid, en met de opstap- en uitstapplaatsen bijna altijd buiten de stad) en werd daarom alleen nog om nostalgische redenen aanbevolen:
Murray benadrukt ook nog in latere edities van zijn Handbook, dat met name in het noordelijke deel van Nederland de wegen nog bijzonder slecht waren. Een belangrijke oorzaak hiervoor was volgens hem het gebrek aan voldoende natuursteen. Althans in vergelijking met andere West-Europese landen. De productie van straatklinkers bracht daar verandering in, maar Murray's Handbook for Travellers on the Continent (2e editie, 1838) t/m de 13e editie van 1860 vermeldt dat een comfortabele reis over de wegen in het noorden van Nederland nog onmogelijk was. In die gevallen bleef vervoer per trekschuit door de kanalen vaak de beste keuze.
Ook verharde wegen (met natuursteen zoals keien of kinderkopjes) waren in die tijd ook vaak verre van ideaal. Over de Belgische wegen valt in Murray's Handbook (1838) bijvoorbeeld het volgende te lezen:
Volgens een latere editie van Murray's Handbook (1860) is de situatie weinig verbeterd, behalve dat er nu overal in België treinen rijden:
Opvallend is de weerstand die er in Nederland aanvankelijk bestond tegen de toepassing van stoomkracht voor transportmiddelen. In Engeland experimenteerde men al in 1825 met de eerste stoomtrein en werd de eerste commerciële spoorlijn in 1830 geopend, terwijl in Nederland de eerste lijn pas in 1839 werd aangelegd. En terwijl er, volgens Leigh's Roadbook of England and Wales van 1820, al toeristische stoomboten voeren van Londen naar Margate ("During the season, which begins in June and terminates in October, steam vessels sail every day between London and this place, and perform the voyage in from six to nine hours", p. 271) en van Londen naar Ramsgate ("steam vessels proceed every day during the season between this place and London", p. 271) merkte Edmund Boyce in zijn Belgian Traveller van 1827 op dat er in Nederland binnen afzienbare tijd nog geen stoomboten op de Nederlandse rivieren zouden varen:
Er verschenen meer en meer Engelstalige stedengidsen voor met name Belgische en Franse bestemmingen die, in aansluiting op de bootverbinding over het Kanaal, steeds beter bereikbaar werden. The Traveller's Guide to Antwerp, E. De Lacroix, 1836 A Practical Maual for Steamboat Travellers from London to Strasbourg, F.L. Lachenitz, 1836 New Guide to Bologne-sur-Mer, J. Brunet, 1837 Kidd's New Guide to Bologne, W. Kidd, 1837 The Economist's New Brussels Guide, Containing a Short Account of Antwerp, Malines, etc., W. Dalrymple, 1839 A Guide to Bologne and Environs, A.H. Monteith, 1840 (?) Ghent Guide, for the English Traveller, J. Bamford, 1843 The Stranger's Guide to St. Malo, Servan, and Dinan, W.G. Dumaresq, 1848 The Dinan and St. Malo Guide, H.T. Oxenham, 1843 De eerste stoomtrein op het Europese vasteland werd in België aangelegd. In 1835 liep er een spoorlijn van Brussel naar Mechelen, en in 1840 was de lijn doorgetrokken naar o.a. Gent, Antwerpen en Oostende. verbeterd weg- en watervervoer (Groot-Brittannië eind 18e & begin 19e eeuw) In het 18e-eeuwse Groot-Brittannië ontstonden er a.g.v. de toenemende industriële ontwikkelingen en handel meer (en grotere) steden waartussen nog geen directe post-verbinding bestond. Brieven en pakketten moesten via Londen worden bezorgd. De behoefte aan directe verbindingswegen tussen deze steden nam toe. Vanaf 1719 en 1763 werd het postwegennetwerk, o.l.v. een postmaster uit de stad Bath, verder uitgebreid. Speciale aandacht kregen daarbij het industriële noorden en midden van Engeland. Postbedrijven als Wilson & Company of London en Wilson & Company of Bath (de voorlopers van Royal Mail) gingen met speciale koetsen rijden (aanvankelijk onderscheidden ze zich alleen van gewone koetsen door het postembleem dat er op stond). Nieuwe Turnpike Acts waren door het parlement aangenomen ter bevordering van het wegennetwerk. In de loop van de 18e eeuw werd het ook aan particuliere ondernemers toegestaan om tolwegen aan te leggen en in tolhuizen (post houses) tol te heffen. In 1770 was er al meer dan 15.000 mijl tolwegen aangelegd. Naast de wegen moesten ook de vervoersmiddelen worden verbeterd om tot een snelle, regelmatige en betrouwbare postbezorging te komen. In 1784 had Engeland de wereldwijde primeur met de ingebruikname van de eerste postkoets (mail coach) op het traject Londen-Bristol (via Bath). De afstand bedroeg 109 mijl, de paarden werden om de 10 mijl vervangen, en de reisduur werd verder teruggebracht tot 16 uur. Door dit succes gaf de overheid toestemming het postkoetsnetwerk verder uit te breiden, en tegen het eind van 1785 reden er snelle postkoetsen van Londen naar Norwich, Liverpool, Leeds, Dover, Portsmouth, Exeter, Gloucester, Worcester, Holyhead, en Carlisle. In 1786 reed er ook een postkoets naar Edinburgh, met een reistijd bedroeg 60 uur. De eerste postkoetsen waren nog niet erg comfortabel, maar in 1787 verscheen er een nieuw, verbeterd model (ontworpen door John Besant). Ook het passagiersvervoer profiteerde van deze ontwikkelingen. Op de postkoetsen was plaats voor vier passagiers, en soms wat meer, bijvoorbeeld met een extra passagier naast de koetsier op de bok, en soms was er ook nog plaats voor 2 personen bovenop de koets. De koetsen reden vaak 's nachts. Samuel Leigh's New Picture of London (o.a. 1830) beschrijft deze historische ontwikkeling als volgt:
Een grote verbetering in het personenvervoer over de weg vond plaats tussen 1815 en 1836 door de uitvinding van een nieuw type wegverharding door John MacAdam (een poreuze bovenlaag op een fundament van gebroken steen / steenslag). Tot dan toe waren de postwegen weliswaar zo vlak mogelijk gehouden, maar ze waren niet verhard, en vooral 's winters was het wegdek daarom nog vaak zeer slecht. En dat gold nog meer voor de vele tolwegen op de andere routes. De uitvinding van MacAdam leidde tot een 'road-making revolution'. Koetsen konden door het betere wegdek lichter gebouwd worden en een gemiddelde snelheid van 10 mijl per uur bereiken. In 1820 duurde een reis per koets van Cambridge naar Londen nog maar 7 uur, terwijl de koets er in 1750 nog twee dagen over deed. De toestand van de wegen en het wegvervoer in Engeland kan goed worden geïllustreerd aan de hand van de Brighton Road, de weg van London naar Brighton, de badplaats die, in tegenstelling tot veel andere toeristische bestemmingen, al populair was voordat er een spoorlijn was aangelegd. De volgende beschrijving komt uit Ward Lock's Red Guide to Brighton and Hove van 1908-1909 (6e ed.):
In Paterson's Description of the Roads (1781) worden vier routes beschreven van Londen naar 'Brighthelmstone' ( Brighton). Allereerst de meer oostelijke route via Grinstead en Lewes (vanaf Westminster Bridge 59 mijl lang), een alternatief via Lindfield (52 mijl), de middelste route, ook wel the 'New Road' genoemd, via Sutton, Ryegate, Crawley (54 mijl) , en tenslotte de meer westelijke route route via Darking en Horsham (60 mijl, met als voetnoot: "this road you pay for 63 miles") N.B. in de A New and Accurate Description of the Present Great Roads and the Principal Cross Roads of England and Wales van 1756, anderhalve eeuw vóór de bovengenoemde Ward Lock Guide to Brighton, wordt de 'Brighton Road' nog niet apart beschreven. De enige vermelding betreft de nieuwe 'mail-road' waarlangs de nachtelijke mail-coach 4x per week een reis maakte van 89 mijl tussen London en Lewes, met als voorlaatste tussenstop het toen nog kleine vissersplaatsje Brighthelmstone (Brighton). Onder druk van het toegenomen goederentransport aan het begin in het Industriële Tijdperk werden in het begin van de 19e eeuw, als alternatief voor het transport per boot, de eerste, door paarden voortgetrokken ijzeren spoorwegen aangelegd. Zoals de "Surrey Iron Railway" van Wandworth via Croydon naar Reigate (zie de Ambulator: or A Pocket Companion in a Tour round London, within the Circuit of Twenty-Five Miles, 1820). Het eerste deel van de lijn opende in 1803 en was daarmee de eerste openbare ijzeren spoorlijn ter wereld ("the world's first railway to be publicly subscribed by Act of Parliament as a railway throughout. "(link) Het oorspronkelijke plan was de aanleg van een kanaal, maar dat werd verworpen omdat het water dat daarmee aan de riviertjes zou worden onttrokken nodig was voor de vele met waterkracht (en/of stoom) aangedreven molens en fabrieken ter plaatse. In Engeland was, net als in Frankrijk en Pruisen, de behoefte aan snellere en betere wegen ook nu weer mede bepaald door de grote militaire transporten die tijdens de Napoleontische oorlogen nodig waren. In de Ambulator van 1820 wordt hier meermaals naar verwezen:
In het Engelse dorp Wandworth, vlakbij Londen, en gelegen aan het riviertje de Wandle, bevonden zich de fabrieken, molens en werkplaatsen van "Mr. Day: "shot, shells, cannon, and other instruments of war, are cast at these iron works" (Ambulator, 1820, p. 343). In Engeland experimenteerde men al in 1825 met de eerste stoomtrein. De eerste commerciële spoorlijn werd in 1830 geopend, tussen Manchester en Liverpool. Daarnaast waren er sinds 1755 al ruim 100 kanalen aangelegd, met een totale lengte van meer dan 1600 mijl, en voeren er , volgens Leigh's Roadbook of England and Wales van 1820, al toeristische stoomboten van Londen naar Margate ("During the season, which begins in June and terminates in October, steam vessels sail every day between London and this place, and perform the voyage in from six to nine hours"), van Londen naar Gravesend ("a constant communication is maintained between this place and London by means of steam-vessels, which perform the voyage in three or four hours"), en van Londen naar Ramsgate ("steam vessels proceed every day during the season between this place and London", p. 271). M.b.t de boottocht vanuit Londen naar Gravesend over een afstand van ca. 22 mijl, vermeldt de Ambulator of London and its Environs (1820): "In April 1819, passengers were first conveyed to and from Gravesend by steam vessels, two of which are now engaged in this undertaking" (pp. 116, 117). De toeristische ontwikkeling van Gravesend blijkt uit een latere gids (Leigh's Roadbook of England and Wales, 1833): it has (...) a modern stone Pier, forming an excellent promenade. Gravesend has been much frequented within a few years as a bathing place" (p. 142). De eerste stadbussen (omnibussen) verschenen in het begin van de 19e eeuw. Een beschrijving van en rit op de populaire Londense omnibus komt voor in een in 1835 verschenen verhaal van Charles Dickens in Sketches by Boz, getiteld "Omnibuses":
verbeterd weg- en watervervoer in de VS (eind 18e & begin 19e eeuw), groei binnenlands Amerikaans toerisme, Erie Canal, canal travelling In de VS en op het Europese Continent waren er vergelijkbare ontwikkelingen. De eerste postweg in de VS werd in 1783 (het jaar van de Amerikaanse Onafhankelijkheid) aangelegd tussen New York en Boston. Een andere vroege route was de Albany Post Road (van New York naar Boston). Overigens bleef in het begin van de 19e eeuw (vóór het spoorwegtijdperk) de aanleg en onderhoud van de al dan niet verharde postwegen, en het bemannen van posthuizen (zoals vastgelegd in the Amerikaanse Grondwet, Artikel 1, paragraaf 8) in de VS voor de overheid een onrendabele zaak. Dit kwam door de vaak lange afstanden zeer dunbevolkte gebieden tussen de grote steden. Periodiek verschenen hierover rapportages van de Postmaster General "relative to post-roads which have not producced one third part of the expense of carrying the mail upon the said roads during the last year". In de geheel herziene editie van de Traveller's Directory through the United States (1822) gaf John Melish een indruk van de onmogelijkheid in dit grote land om met enige nauwkeurigheid te kunnen beschrijven hoe de actuele situatie is:
In 1838 werd een wet aangenomen waarin werd vastgelegd dat ook alle bestaande en toekomstige spoorlijnen als post roads mochten worden aangemerkt (dit ontsloeg de overheid in zekere zin van het aanleggen van goede, verharde, maar onrendabele, nationale post roads). Ook werden er in het begin van de 19e eeuw veel kanalen gegraven. Het uitgebreide kanalennetwerk in Groot-Brittannië diende als voorbeeld. Sinds 1755 waren er daar (de bakermat van de Industriële Revolutie) 103 kanalen met een totale lengte van 2682 mijl aangelegd. In één van de eerste praktische Amerikaanse reisgidsen uit de beginperiode van het Amerikaans binnenlands toerisme, Dwight's Northern Traveller (1825), werd hieraan in de Appendix speciale aandacht besteed. De Appendix bevatte een lijst van wegen en kanalen die op dat moment in de VS in aanleg waren. Het Eriekanaal (tussen Albany en Buffalo), waarvan de voltooiing in september 1825 werd verwacht, werd in de Northern Traveller uitvoerig beschreven. Bovendien werden de stoomboten steeds veiliger, met verbeterde, koperen ketels, en strengere regels: "the captains and engineers have positive instructions not to carry higher steam than they have always done heretofore". Het gevolg was dat een groeiend aantal (welgestelde) toeristen vanuit de grote steden aan de Oostkust naar het noorden van het land werd gelokt:
Na de Onafhankelijkheidsoorlog vormden het toegenomen Amerikaanse zelfbewustzijn en de nationale trots ook een sterke aanleiding om het oog niet langer op Groot-Brtittanië en het Europese Continent te richten, maar op de schoonheid en bezienswaardigheden in eigen land. In plaats van een Grand Tour in Europa kozen welgestelde Amerikanen er steeds meer voor een (plezier)reis door eigen land te maken. De "fashionable tour" werd uitvoerig beschreven in G.M. Davison's reisgids met dezelfde naam (1822 en daarna). Reisgidsen als Dwight's Northern Traveller, Davison's Fashionable Tour, en Gilpin's Northern Tourist (1825) waren niet alleen een reactie hierop, maar droegen op hun beurt ook weer bij aan de groeiende popularitiet van de nieuwe plezierroutes, vakantiebestemmingen, en bezienswaardigheden onderweg. In Gilpin's Northern Tourist werd deze nieuwe trend als volgt onder woorden gebracht:
De eerste Amerikaanse commerciële spoorlijn dateert van 1826 (meer dan 20 jaar nadat de eerste lijn in Engeland was aangelegd) . Het was de Quincy Railway (link), aangelegd over een traject van circa 3 mijl, aanvankelijk voortgetrokken door paarden, en bedoeld voor het transport van graniet langs steile hellingen vanuit de mijnen naar de nabijgelegen Neponset River. In tegenstelling tot de eerste Engelse spoorlijnen, werd voornamelijk hout gebruikt dat bekleed was met circa 1-centimeter-dikke ijzerplaat. Net als vergelijkbare later Amerikaanse goederenspoorlijnen werd het een toeristische trekpleister, en konden er al gauw plezierritjes worden gemaakt. advanced tunnel & suspension bridge construction
Deze gravures komen uit Travels in Europe (1e druk 1838, vele herdrukken) van de Amerikaan Wilbur Fisk, die in de jaren 1835 en 1836 een reis maakte door de Britse Eilanden en het Europese Continent. Net als andere schrijvers van reisverslagen uit het begin van de 19e eeuw, doet Fisk, onder andere, verslag van de grote verbeteringen aan het wegennetwerk die er tijdens en na het Napoleontische tijdperk hadden plaatsgevonden. De eerste afbeelding betreft de Thames Tunnel tussen Rotherhithe en Wapping. Het is de vroegst bekende riviertunnel, aangelegd tussen 1825 en 1843.
Tot dan toe werd de constructie van een riviertunnel voor technisch onmogelijk gehouden. In Murray's Modern London (1851) valt te lezen dat "the idea of the shield (...) was suggested to him by the operations of the teredo, a testaceous worm covered with a cylindrical shell, which eats its way through the hardest wood" (p. 47). In Leigh's New Picture of London (1830) wordt de in 1818 door Mr. Marc Isambard Brunel (vader van Isambard Kingdom Brunel, die later ook bij de constructie werd betrokken) gepantenteerde innovatieve tunneltechniek als volgt beschreven:
Overigens is de tunnel nooit voor rijtuigen gebruikt. De tweede afbeelding is van de hangbrug bij Fribourg in Zwitserland, voltooid in 1834, en destijds de langste en meest geavanceerde brug van zijn soort. Knelpunten die eerdere reizigers op de Grand Tour soms vele extra reisdagen opleverden werden vooral gevormd door brede rivieren en hoge bergen. De overlandse reis van Frankrijk en Zwitserland naar Italië via de Alpen was hier een goed voorbeeld van. Mariana Starke, die de reis door de Alpen zowel vóór als na de onder Napoleon aangebrachte verbeteringen had afgelegd, beschreef de grote verbeteringen. De oude situatie werd beschreven in Travels in Italy (between the Years 1792 and 1798).
midden 19e eeuw: snel transport over zee / packet ships and steamships De vrachtschepen waarmee kolonisten of kooplui aanvankelijk naar hun overzeese bestemmingen voeren waren langzaam, oncomfortabel en weinig punctueel. De Mayflower (een vrachtschip van het Nederlandse fluyt-type, met 102 kolonisten aan boord) deed in het jaar 1620 nog 66 dagen (9 á 10 weken) over de Atlantische overtocht van Plymouth (Engeland) en Cape Cod (New England). Dat werd beter toen er halverwege de 18e eeuw (1755) een maandelijkse postdienst werd geopend tussen Engeland en de Britse kolonieën met behulp van de zogeheten 'packet boats'.
Voor de 'packet boats' was snelheid en punctualiteit belangrijk. En wanneer passagiers de keuze hadden tussen enerzijds een overtocht met een koopvaardijschip (trading ship), en anderzijds een overtocht per pakketschip ( packet boat of packet ship), dan had de laatste altijd de voorkeur. Na de Napoleontische oorlogen, in de eerste helft van de 19e eeuw, werden er ook (snelle) overtollige oorlogsschepen als packet ships ingezet. En ook werd het aantal transatlantische overtochten geleidelijk uitgebreid. De Amerikaan Wilbur Fisk (auteur van het in 1838 verschenen Travels in Europe) maakte in oktober 1835 de oversteek van the battery in New York naar de Prince's Dock in Liverpool per zeilschip in 18 dagen:
Het was een snel schip met 25 passagiers in de cabin en 40 in het vooronder (steerage). In 1840 voer er om de 2 of 3 dagen wel een pakketschip vanuit Londen (uit een vloot van 12 schepen) of Liverpool (uit een vloot van ruim 20 schepen) naar New York. De duur van de transatlantische tocht tussen Engeland en New York was in de eerste helft van de 19e eeuw per packet boat zo'n 7 á 8 weken en per vrachtschip twee á drie, en soms wel vijf weken langer:
Het emigrantenhandboek waaraan het bovenstaande citaat is ontleend dateert van 1840 . Over de overtocht per zeilschip van Engeland naar de VS vermeldde het handboek verder:
Het eerste stoomschip dateert van circa 1830, maar in het begin was het nog te duur voor mindervermogende passagiers (de zogeheten steerage- and medium-class passengers). Nog in 1840 maakte de schrijver van The Mechanic's Guide daarover de volgende kanttekening:
Ook in 1840 begon de Canadese reder Samuel Cunard de eerste reguliere transatlantische stoomschipverbinding. Aanvankelijk betrof het een maandelijkse postdienst tussen Liverpool en Boston, volgens contract met de Britse overheid. Tegen het eind van de jaren-1840 voegde Cunard hier een verbinding Liverpool-New York aan toe. Het vlaggeschip van Cunard was de "Britannia" volbracht de overtocht in westelijke richting in gemiddeld 13 dagen (tegenover circa 22 dagen voor de zeilschepen). Door concurrentie van andere reders zoals Collins en Inman werd de recordsnelheid al gauw op 10,5 dagen gebracht (door Collins, tussen Liverpool en New York). In die tijd was er ook een stoomschip dat de Atlantische oversteek in zo'n 11 dagen maakte (de 'Curacao', van Hellevoetsluis naar Paramaribo). bagagevervoer: het 'checking system' Amerika werd voor steeds meer mensen een toeristische bestemming, en Appleton's Illustrated Hand-Book of American Travel van 1857 benadrukt ook het gemak en de veiligheid waarmee de buitenlandse (Europese) toerist een reis door Amerika kan maken:
Wat het reizen door Amerika in 1857 verder vergemakkelijkte was het bagagevervoer met het Amerikaanse checking system:
Het was een uniek en toerist-vriendelijk systeem, dat ook in 1898 nog bewonderend werd beschreven door James Fullarton Muirhead, de redacteur van de eerste Baedeker-gids voor de VS, in zijn boek The Land of Contrasts: A Briton's View of his American Kin:
In Rolfe's Satchel Guide for the vacation tourist in Europe (1872) werd de toestand met de bagageafhandeling in Europa als volgt beschreven:
verbeterd reiscomfort en -veiligheid op het spoor In de loop van de 19e eeuw werd het reizen per trein zowel in de Verenigde Staten als in Europa steeds sneller en comfortabeler. In Europa waren er weliswaar 3 verschillende reisklassen, maar de 2e klasse was doorgaans nauwelijks minder comfortabel dan de 1e klasse , en de 3e klasse had weliswaar houten bankjes, maar het was er netjes en schoon en reizigers konden een eigen reiskussentje meenemen. De VS was meer egalitair, en kende geen aparte coupés voor 1e, 2de of 3e klasse. Maar, zoals Baedeker-auteur James Muirhead in The Land of Contrasts (p. 224) opmerkte, was op lange trajecten de zogeheten parlour car eigenlijk een tegenhanger van de Europese 1e klasse.
In de VS was het ook in de parlour cars gebruikelijk dat er geen onderscheid werd gemaakt tussen vrouwen en mannen, wat door de Europese ogen van James Muirhead bezien nogal vreemd was:
Voor een Amerikaan was de conventionele Europese houding tegenover vrouwen precies de reden waarom, in bijvoorbeeld William Rolfe's Satchel Guide to Europe (4e editie, 1875), vrouwelijke reizigers in Europa soms het advies kregen om 3e klasse te reizen. Rolfe citeert op dit punt de observaties van een Amerikaanse auteur, en voegt daar zijn eigen commentaar aan toe:
Het comfort van de Amerikaanse treinen stak op veel punten gunstig af tegen dat van de Europese treinen: De 4e editie van Crofutt's Trans-Continental Tourist's Guide (1872) bevat een aantal "Editorial Notes" m.b.t. de inrichting van de treinstellen, waaronder de "observation cars" die kort voor de passage door de Rocky Mountains werden aangekoppeld, en de "New Pay Car":
Hieronder ook een afbeelding uit Davenport's American Gazetteer van 1832 van een latere trein op de spoorlijn Boston - New York - Philadelphia:
I internationale betaalmiddelen: bankbiljetten & circular notes (traveller cheques) In de allereerste reisgids van John Murray, A Hand-Book for Travellers on the Continent, uit 1837 (2de editie 1838) werd ruim aandacht geschonken aan de 'circular notes', een soort traveller's cheque die overal in Europa voor de plaatselijke munt kon worden ingewisseld.
Als betaalmiddel konden in 1857 in de VS nog het best gouden en zilveren munten worden gebruikt. Het gebruik van bankbiljetten was nog beperkt:
In Appleton's Hand-Book of American Travel (Western Tour) van 1873 was het gebruik van bankbiljetten in de VS algemeen geworden; hoewel nog niet in Californië:
In 1874 introduceerde Thomas Cook zijn eigen 'circular notes' waarmee toeristen overal ter wereld over geld konden beschikken De 'circular notes' waren geldcoupons die tegen de plaatselijke valuta konden worden ingewisseld (de latere 'traveller cheques'). In Thomas Cook's India, Burma, and Ceylon (1901) wordt het gebruik van 'circular notes' en overige financiële diensten als volgt omschreven:
telegraafverbinding Ook de (elektrische) telegraaf (gepatenteerd door Samuel Morse in 1837) was van groot belang voor de ontwikkeling van het toerisme. In 1861 kwam de telegrafische verbinding tussen de oost- en westkust van de VS tot stand, waardoor de Pony Express overbodig werd George Crofutt beschrijft in The Trans-Continental Tourist's Guide (1872) hoe belangrijk zowel de telegraaf als de spoorweg is geweest voor de ontsluiting en civilisering van het Amerikaanse westen. Hij noemde de spoorweg en de telegraaf "twin sisters of civilization" (p. 16). De eerste commerciële transatlantische telegraafkabel dateert van 1866 De telegraafverbinding tussen Groot Brittannië en India kwam in 1870 tot stand De telegraafkabel naar Darwin, Australië, werd in 1872 gelegd. Voor het plannen van een lange reis en het boeken van accommodatie was de telegraaf een enorme uitkomst. Murray's Handbook for Travellers in India and Ceylon (1898) geeft een voorbeeld van het nut van de telegraaf:
standaardtijd: landelijk en internationaal (1884) Door sneller wordende reis- en communicatiemiddelen nam de behoefte aan een standaardtijd toe. De situatie waarin elke stad haar eigen (zonne)tijd hanteerde (waarbij de zon om 12 uur's middags haar hoogste stand bereikte) werkte verwarring in de hand. Nog in de 19e eeuw kon het bijvoorbeeld voorkomen dat de klokken van Arnhem en Deventer "drie kwartier" scheelden (Jacob van Lennep in zijn reisbeschrijving van 2 aug. 1823). Spoorwegmaatschappijen, die aanvankelijk elk hun eigen tijden hanteerden, wilden dat hun spoorboekjes eenduidige reistijden vermeldden, en namen daarbij het voortouw. In Engeland voerde de Great Western Railway in november 1840 als eerste de Londense tijd (GMT) in als standaardtijd voor haar hele netwerk, en andere spoorwegmaatschappijen deden hetzelfde. In de Bradshaw Railway Guide van januari 1848 werden voor veel spoorlijnen de GMT-tijden vermeld. In 1855 (1852 volgens Lynne Withey) was de GMT-tijd op een groot aantal openbare klokken in het hele land te zien. (Pas in 1880 werd dit wettelijk vastgelegd door het Britse parlement.) De nauwkeurigheid van de uurwerken en de invoering van snelle telegraafverbindingen overal in het land, maakte het mogelijk overal de juiste standaardtijd te hebben. (In Mark Twain's The Innocents Abroad, waarin een translatlantische reis word beschreven in het jaar 1867, werd een 'ever changing ship time' gehanteerd , waarbij de klok aan boord van het schip elke dag zo'n twintig minuten werd verzet; "the ship was gaining a full hour every three days", Ch. 5). Andere landen volgden dit voorbeeld. In Nederland besloten spoorwegmaatschappijen in 1866 dat voor het hele spoor de Amsterdamse tijd zou gaan gelden. Maar alhoewel ook andere Europese landen steeds meer het nut van een standaardtijd inzagen, waren er, zoals uit Bradshaw's Continental Railway Guide van 1876 blijkt, nog geen vereenvoudigde Europese tijdszones en hield elk land nog wel vast aan een afgeronde, min of meer gemiddelde zonnetijd van dat land, of van haar grote steden (de Nederlandse spoorwegen zouden de Amsterdamse tijd, die 19 min. 32 sec voorliep op Londen, inruilen voor de internationaal makkelijker te hanteren 'Loenense' of 'Gorinchemse tijd' die precies 20 minuten op Londen voorliep):
In de VS hadden de spoorwegen in het begin te kampen met meer dan 300 verschillende tijdszones. Elke stad hanteerde haar eigen (zonne)tijd, en de aankomst- en vertrektijden in van treinen in de diverse steden stonden vermeldt op basis van de plaats waar het hoofdkantoor van de diverse soormaatschappijen waren gevestigd. Voor de reizigers, die op willekeurige plaatsen in het land van die treinen gebruik wilden maken, kwamen die tijden dus niet overeen met de plaatselijke tijd. Het was daarom ook hier onder druk van de spoorwegen dat het aantal verschillende tijdszones in de VS aanvankelijk tot honderd werd teruggebracht. In Appleton's Illustrated Railway Guide van 1857 stond een diagram met 24 klokken afgebeeld die dit alles voor de reiziger inzichtelijk moest maken. Deze "United States Time Indicator" vermeldde: "the time difference between the various cities of the United States: including San Francisco, California; Trinity Bay, Newfoundland; Valentia Bay, Ireland; and London, England": Rondom een centrale klok in New York die het middaguur aanwijst, stonden de klokken van steden met belangrijke treinstations afgebeeld: Boston (+12 min), Indianapolis (-46 min), Columbus (-36 min), Pittsburg (-24 min), Detroit (-36 min), Buffalo (- 19 min), Cleveland (- 30 min), Chicago (-54 min), St. Paul (- 1 uur 16 min), Louisville (-46 min), St. Louis (1 uur, 5 min), Cincinnati (-41 min), Richmond (- 14 min), Augusta (- 30 min), New Orleans (- 1 uur 5 min), Philadelphia (-4 min), Charleston (- 23 min), Baltimore (- 10 min), Wheeling (- 27 min), Portland (+16 min), San Francisco (3 uur 15 min), Trinity Bay (+1 uur 25 min), Valentia Bay (+4 uur 24 min), en Londen, Engeland (+4 uur 55 min.).
Ook in Mitchell's General Atlas, een populaire Amerikaanse atlas uit de tweede helft van de 19e eeuw, was een vergelijkbare paginagrote Time Table afgedrukt, met zo'n 100 klokken rondom de centrale klok van Washington DC "indicating the difference of time between the principal cities of the world".
Verder was in het Handbook of the United States of America and Guide to Emigration van L.P. Brockett uit 1883, een tabel opgenomen, 'Difference of Time', met de tijdsverschillen van New York met maar liefst 75 steden ten westen en 25 steden ten oosten ervan, allemaal op de seconde nauwkeurig, en geen enkele gelijk. Verdere vereenvoudiging bleef dus dringend gewenst, en op 18 november 1883 werd in de VS en Canada tot een systeem met 4 tijdszones besloten. In de vier edities van Baedeker's United States (verschenen in 1883, 1899, 1904, en 1909) werd de toerist hier nadrukkelijk op gewezen, evenals op de verwarring die er kon ontstaan omdat er naast de tijdszones ook nog steeds plaatselijke tijden golden die tot 30 minuten konden afwijken van de officiële tijdzones (treintijden):
In 1884 werd tenslotte een Internationale Conferentie belegd waarop ook tot verdere harmonisatie tussen verschillende landen besloten op basis van de Greenwich-meridiaan. Maar ook toen bleef elk land vrij haar eigen tijdzone te kiezen. In Nederland bleef de "Amsterdamsche tijd" tot 1892 bestaan. In De Tegenwoordige Staat van Nederland (1897) beschreef H. Blink de situatie als volgt:
Frankrijk hield nog tot 1911 vast aan haar eigen nulmeridiaan, tot het eind van de jaren-20 waren Europese landen overgestapt op tijdzones met verschillen van een heel uur. Voor een Amerikaanse reiziger die het Europse Continent bezocht, bleef het dus erg onoverzichtelijk. De spoorwegmaatschappijen hanteerden weliswaar de officiële tijdszones, maar terwijl Nederland en België, net als het Verenigd Koninkrijk, voor de West-Europese tijdszone kozen (= GMT), kozen andere landen zoals Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Zwitserland en Italië voor de Centraal-Europese tijdszone, en bleef Frankrijk aan haar eigen Parijse tijd vasthouden. Tegelijkertijd bleven de grote steden hun plaatselijke tijd hanteren (gebaseerd op zonnetijd), waardoor er dus op de spoorwegperrons andere tijden golden dan in de rest van de stad. Rolfe's Satchel Guide to Europe van 1900 schetst de complexe situatie als volgt:
Italië was het enige land dat van oudsher de 24-uursklok hanteerde ("Italian hours"), wat eigenlijk het meest logische, en voor spoorboekjes ook het meest duidelijke systeem was, terwijl in andere Europese landen de 12-uursklok werd gebruikt ("German hours" of "French hours" genoemd). Vermeldenswaardig daarbij is dat in de Satchel Guide to Europe van 1900 ook België genoemd wordt als land dat op dat moment de 24-uursklok hanteert:
De Satchel Guide van 1925 vermeldt ook Frankrijk en Zwitserland, en in de Guide van 1939 worden Spanje, Portugal en Griekenland genoemd. In Jules Verne's Around the World in Eighty Days blijkt hoe belangrijk de 24-uursklok is in het internationale verkeer en hoe hiermee misverstanden konden worden voorkomen:
In 1925 was de situatie volgens de Satchel Guide to Europe voor dat jaar nog onveranderd (ook wat betreft de Franse tijdszone!). Volgens Bradshaw's Continental Guide van eind jaren-20 (approx. 1928) waren er in Europa 5 tijdzones (page v): West Europe Time: Great Britain, Belgium, France, Spain, Portugal Mid Europe Time: Germany, Austria, Hungary, Switzerland, Czecho-slovakia, Yugo Slavia, Lithuania, Poland, Denmark, Norway, Sweden, part of Turkey East Europe Time: Bulgaria, Rumania, Russia, part of Turkey Amsterdam Time (in Holland): 20 minutes in advance of West Europe Time. Athens Time (in Greece): 1 hour 35 minutes in advance of West Europe Time. In de Satchel Guide van 1939 is er geen sprake meer van afwijkende plaatselijke tijden. De plaatselijke tijden waren nu verdwenen. De in 1884 afgesproken tijdszones golden nu voor alle Europese landen (behalve Nederland, en het Europese deel van Rusland), zowel voor de treindienstregelingen als voor het dagelijks leven. Frankrijk was overgegaan naar de West-Europese tijdszone. Wel was het zo dat de landen in Europa nog voor vier verschillende tijdszones kozen. Spanje en Portugal hadden bijvoorbeeld voor de Oost-Atlantische tijdszone gekozen, en o.a. Griekenland, Turkije, Polen en Finland kozen voor de Oost-Europese zone. Nederland bleef nog tot de Duitse bezetting van 1940 vasthouden aan een tijdsverschil van 20 minuuten (vanaf 1909 werd de Amsterdamse standaard, met een verschil van ongeveer 19,5 min. vervangen door de Loenense of Gorinchemse tijd).
In Europe on a Shoe-String schreef Frederic Tyarks in 1938 dat, terwijl Europse en Noord-Afrikaanse landen, zoals België, Frankrijk, Portugal, Sapnje en Algerije, dezelfde tijd hanteerden als Groot-Britannië, en de andere Europese landen óf 1 uur tijdsverschil hadden (Tsjechoslowakije, Denemarken, Duitsland, Hongarije, Italië, Litouwen, Noorwegen, Polen, Zweden Zwitserland, Tunesië en Joegoslavië), òf 2 uur (Bulgarije, Estland, Finland, Griekenland, Letland, Roemenië en Turkije, òf 3 uur (Europees Rusland), Nederland nog steeds een buitenbeentje was:
reisgemak en snelheid op zee In 1862 (Zie W. Pembroke Fetridge's Harper's Hand-Book for Travellers in Europe and the East) duurde de overtocht per stoomschip van New York naar Queenstown en Liverpool circa 10 tot 12 dagen, maar de de veiligheid en betrouwbaarheid van het stoomschip werd nog bepaald niet als vanzelfsprkend gezien. Daarom kozen nog veel reizigers nog vaak voor het langzamere, maar betrouwbaarder geachte, zeilschip:
Om reizigers gerust te stellen legde Harper's Hand-Book extra nadruk op de betrouwbaarheid van de kapitein en op de degelijke constructie van de stoomschepen (van de Liverpool, New York, and Philadelphia Steam-ship Company):
Toch wordt in Harper's Hand-Book de reiziger nog wel aangeraden om, voor vertrek, een levensverzekering af te sluiten:
In 1868 (zie Appleton's Short-Trip Guide to Europe) konden mensen in betrekkelijk weinig tijd en voor betrekkelijk weinig geld de overtocht van New York naar Liverpool in circa anderhalve week maken (in 1867 duurde de gemiddelde overtocht 10 dagen, 5 uur, en 40 minuten). Het goedkoopste tarief bedroeg $30/$35 voor respectievelijk de heen- en terugreis. Weliswaar had de goedkoopste reisklasse (steerage-class) tot dan toe geen goede reputatie, maar, zoals Henry Morford in de Appleton Guide beschrijft, het comfort was de laatste jaren ook in de goedkoopste klasse sterk verbeterd:
De snelheid van de schepen werd steeds groter dankzij uitvindingen zoals de schroefaandrijving. De concurrentie tussen de grote rederijen (zoals Cunard, White Star, Norddeutscher Lloyd, Hamburg-Amerika Linie) was enorm. Met name na de Frans-Duitse Oorlog van 1870-71 begon het niewe Duitse Rijk onder Bismarck haar plaats op de wereldzeeën voor zich op te eisen. In de Guide Through Europe van de Hamburg-Amerika Linie (15e jaarlijkse editie, 1914) wordt de geschiedenis beschreven van deze grote Duitse rederij sinds 1847:
In een brief van Mark Twain, geschreven in het jaar 1892 aan boord van het luxueuze stoomschip "Havel" van de in Bremen gevestigde rederij Norddeutscher Lloyd, schrijft hij hoe comfortabel een reis van de Verenigde Staten naar Europa inmiddels was geworden:
Het in 1903 in opdracht van de Hamburg-Amerika Linie voltooide schip 'Amerika' werd algemeen beschouwd als het meest luxueuze en geavanceerde van haar tijd. Zoals Lynne Withey schrijft in haar History of Leisure Travel (1750-1915):
Op 23 mei 1912 liep het tot dan toe grootste schip ter wereld van stapel: de "Imperator" met maar liefst 4 schroeven, en een tonnage van 52.000. Van de snelheid van dit schip wordt in de reisgids van 1914 echter minder gewag gemaakt dan voorheen. Immers in 1912 was de Titanic (met 45,000 ton het grootste schip in 1911) van de White Star Line gezonken. Vanaf dat moment kwam de nadruk meer op degelijkheid en veiligheid en comfort te liggen dan op snelheid. Zoals in de Guide Through Europe wordt opgemerkt: "any loss of life among passengers of a steamship company means likewise a financial loss consequent upon the transfer of patronage to competing companies that are regarded as safer" (p. 24).
reis rond de wereld Een reis rond de wereld kon in 1868 in tijdsbestek van 4 tot 5 maanden worden gemaakt:
De reis per stoomschip van New York naar San Francisco, met een korte treinreis van Aspinwall naar Panama, duurde in 1868 zo'n 22 dagen. Per stage coach over land duurde deze reis zeker zo lang (1 maand) (De zeereis per stoomschip (!) van de oostelijke naar westelijke VS via Kaap Hoorn duurde in 1848 nog 4 á 5 maanden.) Van San Francisco naar Yokohama, Japan, duurde de reis vervolgens 26 dagen, en van San Francisco naar Hong Kong was het circa 32 dagen. Van Hong Kong ging het dan met de British Peninsular and Oriental Company naar Point de Galle, in Ceylon, en verder naar Bombay. Dan ging het met een stoomschip van P&O van Bombay, via de Rode Zee, naar Suez en nam men de trein van Suez naar Cairo en Alexandrië. Overigens vermeldt de 1860-editie van Black's General Atlas (kaart 37, Egypte) , m.b.t. de "Overland Route to India", nog dat de landroute tussen Caïro en Suez 84 mijl lang is, uit 16 etappes (stages) bestaat, en in circa 22 uur kan worden afgelegd met een tweewielige, door 4 paarden getrokken koets voor 6 personen (de zitplaatsen zijn gerangschikt als in een Londense of Edinburgse omnibus). Vanaf Alexandrië volgde weer een reis per P&O stoomschip naar Marseilles (via Malta), en per trein van Marseilles naar Le Havre. Het laatste deel van de wereldreis liep van Le Havre (eventueel via Liverpool, Southampton of Glasgow) naar New York. De totale kosten van deze reis bedroegen in 1868 volgens Henry Morford $900 - $1000
transcontinental railway (1869) Henry Morford zinspeelde in 1868 al op het gereedkomen van de transcontinentale Pacific Railway die de reisduur verder zou bekorten. In 1869 was het zover, en mede door de gereedkoming van het Suez Kanaal in hetzelfde jaar, een rechtstreekse spoorlijn door India, en verdere innovaties aan de schepen (zoals de compound engine en triple expansion engine), werd de duur van een reis om de werled binnen enkele jaren drastisch verkort. In de Trans-Continental Tourist's Guide (4e editie, 1872), beschreef George Crofutt de mogelijkheid van een reis rond de wereld binnen 90 dagen:
Op de wereldkaart van Crofutt's Tourist's Guide, uitgegeven in 1871, stond voor de route via China en Japan ruim 87 dagen gepland (de totale kosten van de reis bedroegen destijds $1105 dollar), en voor de route via Australië ruim 99 dagen (kosten: $985).
De Union Pacific and Central Pacific Railroad Company adverteerde ook in Europa met haar treinreis dwars door de VS, als onderdeel van een reis om de wereld, en in 1871 had ze voor dit doel enkele duizenden exemplaren van Crofutt's Guide opgekocht en bij wijze van advertentie voor hun spoorlijn in Europa verspreid. Een advertentie van de Union Pacific in een Londense krant, of een recensie van Crofutt's Guide in zo'n krant , zou dus als inspiratiebron voor Verne hebben kunnen gediend. Enkele edities van Crofutt's Guide zijn bovendien in vertaling verschenen. In Jules Verne's boek beschrijft een personage (John Sullivan) de reisplanning zoals hij die in The Daily Telegraph had gelezen:
Verne beschrijft de treinreis van San Francisco tot aan Kearney (Nebraska), vlakbij Omaha, het startpunt van Crofutt's routebeschrijving. De hoofdpersonages van Verne hebben overigens alleen Bradshaw's Continental Railway Steam Transit and General Guide bij zich. De informatie uit Crofutt's Trans-Continental Tourist Guide (1872) vertoont veel overeenkomsten met hoofdstuk 16 in Jules Verne's boek (Engelse vertaling 1873, herziene Penguin editie, 1994) waarin "Phileas Fogg and Party Travel by the Pacific Railroad" wordt beschreven:
De Transcontinental Railroad werd, mede door de publicatie van Crofutt's Trans-Continentrtal Tourist Guide, al snel populair in Europa, en samen met de aanleg van het Suez Kanaal in 1869 en de voltooiing van een spoorlijn dwars door India in 1870 ("now that the section between Rothal and Allahabad, on the Great Indian Peninsula Railway, has been opened", aldus een personage in Jules Verne's boek), kwam de mogelijkheid van "een reis om de wereld in 80 dagen" binnen handbereik. Iemand als H.S. Crocker, een uitgever in Sacramento, schreef al op 20 september 1869 dat "a journey around the world can be made in eighty days". Thomas Cook' organiseerde zijn eerste reis rond de wereld in 1872. (De verkenningsreis kende veel oponthoud en duurde 222 dagen.) Australië en Nieuw-Zeeland via de VS De 13.000-mijl lange reis vanaf Engeland (Plymouth) naar Australië (het Parramatta immigratiecentrum in New South Wales duurde in 1853 ongeveer 3,5 maand (zie Mary Durack's familiegeschiedenis in Kings in Grass Castles). De reis van Engeland naar Australië, duurde volgens de Handy Guide to Australasia in 1891 per zeilschip 3 maanden, en per stoomschip ongeveer 6 weken.
De Amerikaanse transcontinentale spoorweg maakte vanaf 1869 de omweg via de Panamese landengte of via Kaap Hoorn overbodig. Ook de reis van Engeland naar Nieuw-Zeeland en/of Australië kon nu sneller via het Amerikaanse Continent worden gemaakt. Murray's Handbook for New Zealand (1893) beschrijft de drie routes waaruit men kon kiezen: (1) de route vanaf Liverpool, Southampton of Queenstown via de Amerikaanse transcontinentale spoorlijn, met een totale reisduur van circa 33 dagen (reisduur vanaf San Francisco 19 dagen, òf de Canadian Pacific Railway. (2) de oostelijke zeeroute via het Suez Kanaal, vanaf Londen tot Adeleide, geheel per schip, duurde 38 à 40 dagen (3) de 'directe' zeeroute', vanuit Londen, heen via Kaap de Goede Hoop (circa 13.000 mijl, reisduur 43 à 45 dagen), en terug via Kaap Hoorn (circa 12.000 mijl, reisduur 40 à 42 dagen) In 1902 is de reisduur van Engeland naar Nieuw-Zeeland via de Amerikaanse spoorlijn 28 dagen ( Cook's New Zealand as a Tourist and Health Resort) . Suez Kanaal (1869) Met de voltooiing van het Suez Kanaal in 1869 werd de non-stop zeereis van Engeland naar India met de helft verkort. De "General Information for Passengers to India" in de reisgids Thomas Cook's India, Burma, and Ceylon (1901) vermeldt op dit punt:
Canadian Pacific Railway (1885) In de 1899-editie van Appleton's Canadian Guide-Book is voor het eerst een hoofdstuk opgenomen voor toeristen die naar het westen van Canada wilden reizen.
Panamakanaal (1914) De 75-kilometer-lange Panamese spoorlijn bleef ook nog in gebruik, totdat het Panamakanaal in 1914 gereed kwam. Het kanaal was vooral belangrijk voor het intercontinentale vrachttransport. Een schip varend van New York naar San Francisco legt via het kanaal een afstand af van 9500 kilometer (via Kaap Hoorn was het 22.500 kilometer).
Europe on $5 a day Het transatlantisch toerisme nam toe door de toename van beschikbare vrije tijd, kortere reistijden, lagere kosten en meer (reis)comfort. Steeds meer Amerikanen kregen de kans Eurpoa te bezoeken. Het jaarlijks aantal Amerikaanse toeristen naar Europa zou in 1885 een piek bereiken van boven de 100.000 (een verdubbeling t.o.v. van 15 jaar daarvoor). Niet alleen de gegoede burgers voor wie een Europese reis langs de bekende culturele centra als statusverhogend werd gezien en voor wie geld geen rol speelde (zoals de personages in de boeken van Henry James), maar ook gewone burgers die als emigrant naar Amerika waren gekomen en de achtergebleven familie in Europa wilden bezoeken. In Harper's Handbook for Travellers In Europe, schreef W. Pembroke Fetrridge al in 1862:
In Appleton's Short Trip Guide to Europe gaf Henry Morford in 1868 een aantal rekenvoorbeelden:
Ook A Satchel Guide for the Vacation Tourist in Europe (van W.A. Rolfe) , die vanaf 1872 verscheen en maar liefst 54 edities zou meemaken, richtte zich op de budget-toerist:
Tot ver in de 20e eeuw bleven reisgidsen hameren op de betaalbaarheid van een reis naar Europa (voor 5 dollar per dag). Frank Schoonmaker: Through Europe on Two Dollars a Day (vanaf 1928) Frederic E. Tyarks: Europe on a Shoe-String (1938)
Arthur Frommer: Europe in $5 a Day (vanaf 1957 tot 1968-69) eind 19e eeuw: hoogtepunt van het stoomtijdperk In het boek Reizen en Pleisteren (1895) maakten de auteurs Fabius en Biema de balans op van de enorme veranderingen op reisgebied die zich tegen het eind van de 19e eeuw hadden voltrokken:
opkomend fietstoerisme, ook voor de lagere middenklassen In de 19e eeuw zorgde de fiets voor voor een nieuwe vorm van toerisme. De eerste tweewielers werden nog met de voeten op de grond voortgedreven, later kregen ze trappers die direct aan het wiel bevestigd waren (het "penny-farthing" model). Deze fietsen waren een tijdje populair onder een kleine groep welgestelden, maar ze waren met hun houten wielen en hoge zit niet comfortabel en werden ook als gevaarlijk beschouwd. De echte doorbraak kwam met de uitvinding de "safety bicycle', die voorzien was van kettingaandrijving, lager zadel, en rubberen luchtbanden. Grote groepen mensen uit de lagere middenklassen konden zich deze fiets veroorloven en trokken er op hun vrije zondag op uit, bijvoorbeeld naar van oudsher belangrijke toeristische bestemmingen zoals Brighton. Het Engelse wielertijdschrift The Cyclist vermeldde dat "the two sections of the community which form the majority of 'wheelmen'are the great clerk class and the great shop assistant class" (link). H.G. Wells verwijst naar dit fenomeen in History of Mr Polly, Kipps and The Wheels of Chance, waarin drie van zijn hoofdpersonages (uit de lagere middenklasse) fietsrecreanten zijn. Ward Lock's Pictorial and Descriptive Guide ("Red Guide") to Brighton van 1908-1909 vermeldde het eerste experiment met de de fiets ('hobby-horse', 'bone-shaker', 'velocipede') genoemd in 1869, waarbij de afstand tussen Londen en Brighton in 12 uur werd afgelegd, even snel als de koets er destijds over deed. Brighton kreeg de naam van "Cyclist's Mecca', en de weg naar Brighton ("the Brighton Road") werd in de jaren na 1890 een drukke fietsroute: "sixteen years ago the road was used by all who could afford a cycle" (p. 9). Het fietstoerisme werd sterk bevorderd door de oprichting van een aantal wielrijdersverenigingen, die later ook de belangen van moterrijders en automobilisten gingen vertegenwoordigen: de Bicycle Touring Club (opgericht in 1878, en sinds 1880 Cyclists' Touring Club genaamd), League of American Bicyclists (1880), Féderation Française de Cyclotourisme (1881), ANWB (1883). De belangengroepen, met gaandeweg grote ledenaantallen, maakte zich sterk voor een beter wegennetwerk, wegrecreatie, en accommodatie. De uitvinding van een veilige, met ketting aangedreven fiets in 1885, en de toepassing van rubberen luchtbanden, maakten het recreatief fietsen populair. De volgende advertenties komen uit een reisgids voor fietsers uit 1892 (The Roads of England and Wales, van Charles Howard):
De gesteldheid van de wegen was echter nog vaak verre van ideaal. In het midden van de 19e eeuw lag er in Engeland circa 36.000 kilometer aan tolwegen die werden beheerd door zo'n 1100 "turnpike trusts". De turnpike trusts hadden sinds 1706 gezorgd hadden voor de aanleg en het onderhoud van wegen tussen de steden en dorpen, en ze waren als zodanig een verbetering geweest t.o.v. de situatie sinds de Highway Act van 1555 (waarbij de verantwoordelijkheid over de wegen aan individuele parishes toeviel). Maar het tolwegennetwerk was te versnipperd geraakt en de voortdurende tolaanslagen waren erg inefficiënt, en inmiddels was het beheer van de Britse highways overgedragen aan gewestelijke overheden (de nieuw opgerichtte County Councils). Onder druk van de fietsersbond werd in 1886 de Roads Improvement Association opgericht. In The Roads of England and Wales, maakte Charles Howard in 1892 de volgende inventarisatie van de situatie:
Een vergelijkbare taak met betrekking tot de verspreiding van informatie over verbeteringen in de aanleg en het onderhoud van wegen werd in Nederland door de ANWB zelf ter hand genomen. In een uitgave van het verenigingsblad De Kampioen van 1 maart 1890 werd rapport uitgebracht van een Wegenverbeteringscommissie die de Nederlandse situatie met die in Engeland had vergeleken. De conclusie luidde dat de situaties teveel verschilden. Grindwegen kwamen in Nederland weinig voor, macadamwegen ("steenslagwegen" van verbrijzelde keien) alleen in Drenthe (de rijksweg langs de Drentse Hoofdvaart tussen Meppel en Assen die in 1839 gereed kwam, en de provinciale weg van Assen naar De Hilte, voltooid in 1848), en klinkerstraten vormden "een zeer groot deel" van de hoofdwegen. Het Engelse wegoppervlak bestond uit allerlei materialen: vuursteen ("flint"), grind ("gravel") , lijmsteen ("limestone"), macadam, oöliet (een soort kalksteen, zoals Portlandsteen, en Purbecksteen), zandsteen (sandstone), zand (sand), etc. Grind werd vooral gebruikt in de counties rondom Londen, vuursteen (chalk-flint) vooral in Hampshire, Wiltshire, Dorset en Berkshire, kalksteen (mountain limestone) in de heuvelachtige counties Derby, York, Lancashire, Westmoreland, Cumberland en Durham), en macadam (dit werd vooral toegepast in de grote steden, naast stenen bestrating), zandsteen (sandstone) in West Sussex, East Hampshire, delen van Yorkshire, en gewoon zand waar weinig stenen voorkomen. De gesteldheid van de wegen was afhankelijk van de tijd van het jaar, de weersituatie, en de mate van toezicht en onderhoud. Er verschenen nieuwe wegengidsen (vergelijkbaar met Paterson's Roadbook en Cary's Itinerary tijdens het postkoetstijdperk) waarin de geschiktheid van het Engelse wegennetwerk voor fietsers werd beschreven, zoals The Roads of England and Wales: An Itinerary for Cyclists, Tourists, & Travellers, Containing an Original Description of the Contour and Surface with Mileage of the Main Direct and Principal Cross Roads in England and Wales, and Part of Scotland, by Charles Howard's (5 edities, 1882-1889). In zijn Preface (mei, 1882) schreef Charles Howard:
Een andere populaire wegengids was: Cyclists' Touring Club: British Road Book, by Frederick W. Cook, 1891, 1893, 1896,1897, 1906, 1931, etc. gemotoriseerd wegvervoer (motorfietsen, auto's, bussen, metro's) Kort nadat de fiets populair werd, verscheen ook de eerste motorfiets en automobiel. Het gemotoriseerd verkeer maakte een verbetering van de wegen urgent. De snelle voertuigen zorgden voor spoorvorming en modder, en wierp bij droog weer grote stofwolken op. De Motor Car Act van 1903 bepaalde de maximumsnelheid op openbare wegen op 20 mijl per uur. Toch schreef een reisgids voor Brighton uit die tijd (Ward Lock, 1908) hoe, ondanks politiecontrole bij o.a. Streatham, op zaterdag en zondag talloze gemotoriseerde voertuigen in een grote stofwolk naar Brighton reden, en terug.
Voor hogere snelheden (toerritten en wedstrijden) kon men overigens vanaf 1904 uitwijken naar het eiland Man (de gemiddelde snelheid tijdens de eerste RAC Tourist Trophy voor auto's in 1905 bedroeg ruim 33 mijl per uur, en tijdens de eerste international TT-race voor motorfietsen in 1907 werd in de één-cylinderklasse een gemiddelde snelheid bereikt van 38 mijl per uur. Voor fietsers werd de combinatie van snel gemotoriseerd verkeer en slechte wegen steeds gevaarlijker. Begin 20e eeuw kwam hier verbetering in door het aanbrengen van een laag teer op macadam-wegen (tarmacadam, ofwel tarmac genaamd), maar de grote fietsrage was toen al voorbij. In de Ward Lock-gids ("Red Guide") voor Brighton van 1908-1909 werd melding gemaakt van de 'The Coming of the Motor', de eerste pogingen om gemotoriseerde autobussen te laten rijden tussen Londen en Brighton in 1896, en de eerste verschijning van deze autobussen in 1901:
In de Ward Lock Guide voor Londen van 1911 wordt voor het eerst melding gemaakt van motorvoertuigen in Londen:
De Blue Guide voor Londen van 1918 besteedde ook aandacht aan de overgangssituatie m.b.t. taxis, auto's en trams:
Volgens de Baedeker-gids voor Londen van 1905 reden er in dat jaar nog 11.300 four-wheelers en hansoms in Londen, met zo'n 20.000 paaarden. De Blue Guide van 1918 vermeldt ook de fly (een comfortabele, lichte koets, naar het voorbeeld van de Parijse voiture de remise, die i.t.t. de andere cabs ook in parken mocht rijden, en gebruikt werd voor langere tochtjes buiten de stad), en de one-horse brougham (of' 'victoria'). Deze koetsen werden verhuurd door een tweetal bedrijven, waaronder de Coupé Brougham Company in Regent Street. Oudere reisgidsen vermelden ook de hackney cab. De paard-getrokken omnibuses, geïntroduceerd in 1829 door George Shilibeer, aanvankelijk daarom in de volksmond aanvankleijk ook 'shilibeers' , en later 'buses, genoemd, waren in 1905 in handen van twee busmaatschappijen, de London General Omnibus Co. (met 1400 bussen en 17.000 paarden) en de London Road Car Co. Ze waren ideaal voor sight-seeing, en volgens de Baedeker-gids goed jaarlijks voor 200 miljoen passagiers. De Ward Lock gids voor Londen van 1911 vermeldde hierover:
Voor toeristische uitstapjes buiten de stad werd de char-à-banc gebruikt. Deze toerbus bood plaats aan maximaal 25 passagiers (t.o.v. 35 passagiers op een omnibus waarvan 18 op het bovenste dek in de buitenlucht). De eerste Blue Guide voor Engeland van 1920 wijdde een apart hoofdstuk aan "Motoring in England (Communicated by the Automobile Association)":
De wegen in Engeland waren in 1920, volgens de Blue Guide, goed bewegwijzerd en verkeerden in goede staat ("though they suffered considerably during the War, epsecially in the neighbourhood of camps and aerodromes", p. lxvi). Ook in de rest van Europa werd de auto en bus steeds populairder. De Satchel Guide to Europe vermeldde in 1925 hierover:
En in 1939 wijdde de Satchel Guide zelfs een apart hoofdstukje aan de mogelijkheden van gemotoriseerd particulier en openbaar vervoer voor toeristen in Europa:
elektrisch wegvervoer in stedelijke gebieden, de metro De eerste metrolijn ter wereld (met ondergrondse stoomlocomotief) werd aangelegd in Londen, en dateert van 1864. Het verminderde de verkeersdruk in de stad enorm. De gids Modern London van John Murray in 1871 meldde dat de 3,5-mijl lange lijn van Paddington naar Farringdon Street, de "Metropolitan or Underground Railway", in haar eerste jaar 9,5 miljoen passagiers vervoerde, en in 1869 al 40 miljoen:
Het netwerk van metrolijnen werd in de jaren daarna verder uitgebreid, en omstreeks de eeuwwisseling ging men over van stoom op electriciteit. De eerste electrische metro in Londen (en de wereld) dateert van 1890. Zie Ward Lock Guide voor Londen in 1902 en 1903:
Er reden in 1902 al electrische trams in het westen van Londen, en in de Ward Lock Guide voor Londen van 1902 werd melding gemaakt van plannen om op korte termijn alle tramlijnen ook in het oosten, noorden en zuiden van de stad electrisch te maken.
wegvervoer in de VS In de hele 19e eeuw en het begin van de 20ste eeuw was het slecht gesteld met het wegennetwerk in de VS (in vergelijking met Europa). Een reis per trein was daarom te verkiezen boven een reis per koets, of later per taxi. Op veel plaatsen was de spoorlijn zelfs de enige weg waarlangs gereisd kon worden. Vandaar dat in Amerika het woord 'road' vaak synoniem was met 'railroad' (i.p.v. het Britse 'railway'):
Het Amerikaanse spoorwegennetwerk was populair en breidde zich snel uit, en in 1893 beschrijft Baedeker's United States de situatie als volgt:
De volgende edities van Baedeker's United States meldden 185.000 mijl spoor in 1899 ( van 50 spoorwegmaatschappijen), tot 210.000 (van 50 maatschappijen) in 1904, en 286.000 mijl in 1909 (bijna 50 maatschappijen). Volgens Baedeker was het jaarlijks vervoersaantal in 1896: 511.772.737, in 1902: 655.130.236, en in 1907: 815.774.188. In 1916 verliep 98% van het intercityverkeer in de VS per trein, en in eind-jaren-20 liepen er in de VS 15.000 treinen over 254.000 mijl spoor (zie USA by Rail, van John Pitt). Ook in Amerikaanse steden was het vervoer per gehuurde koets, of later per taxi, minder populair dan in Europa. In plaats daarvan had New York wèl, eerder dan Londen, een zeer uitgebreid netwerk van zowel paardentrams als electrische trams. En de 'metro' werd er bovengronds, op ijzeren palen, aangelegd: de elevated railroads. De eerste lijn, de 'Ninth Avenue Elevated', dateert van 1868. Het systeem zou tot 1958 in gebruik blijven. In de Baedeker-gids voor de VS van 1893, geeft de Engelse redacteur James Muirhead de volgende beschrijving:
De toerist kon bovendien kiezen uit, enerzijds, de door 2 paarden getrrokken hackney carriages, of 'coaches' (voor 1 tot 4 personen) en, anderszijds, de 'cabs' en 'hansoms' , met 1 paard (voor 1 of 2 personen). In 1904 (volgens de Baedeker-editie van dat jaar) waren de elavated railroads volledig overgegaan op electriciteit, waren er nog maar enkele paardentrams, en werden de meeste trams door een ondergronds electrisch trolley-systeem aangedreven. Het netwerk van electrische tramlijnen bleef onstuimig groeien. Volgens de Baedeker-gids van 1899 hadden de meeste Amerikaanse steden in dat jaar een uitstekend tramnetwerk:
En, zoals de Baedeker van 1904 meldde, lag er in dat jaar 22.000 mijl rails voor Electric Tramways, Light Railways, en 'Trolley Lines', waarvoor jaarlijks 5 miljard kaartjes werden verkocht, voor ritten zowel binnen als buiten de steden:
Volgens Baedeker's United States van 1909 werden er toen al jaarlijks 9 miljard ritten gemaakt over een netwerk met een totale lengte van 40.000 mijl, waarbij de snelheid van sommige trolleys 40 tot 50 mijl per uur kon bedragen. Reizigers konden per tram over een afstand van 420 mijl van Maine naar New York reizen, terwijl ook een reis Van New York of Boston naar Chicago, over een afstand van circa 1000 mijl, per tram kon worden afgelegd (met maar enkele mijlen onderbreking). Intussen verscheen ook het gemotoriseerde automobiel op het toneel. Aanvankelijk waren het vaker electrische auto's dan auto's met een (zwaardere) benzinemotor (gasoline). In New York verschenen de eerste electrische (omni)bussen (zie Baedeker's United States van 1904). Vanuit de 'Flat-iron Building' aan Fifth Avenue kon de toerist in 1904 New York o.a. ook per electrische bus of per automobiel bezichtigen:
Volgens de Baedeker-gids van 1909 reden er in dat jaar in New York alleen nog 'motor omnibuses'. De grote landelijke doorbraak van het gemotoriseerde autoverkeer zou pas later komen. Het wegennet bleef aanvankelijk nog te gebrekkig. In 1904 had het totale wegennetwerk in de VS een lengte van 2 miljoen mijl, maar daarvan was maar 40.000 mijl van wegverharding voorzien. (De eerste asfaltweg dateert overigens al van 1877.) Pas in 1909 werd een begin gemaakt met de verharding van de highways, buiten de steden. Daarna ging het snel. In 1915 telden de VS al 2,3 miljoen auto's. De Lincoln Highway was de eerst autoweg dwars door de VS, van New York naar San Francisco. De federal highways kregen vanaf 1925 geen namen maar nummers. Route 66, van Chicago naar Los Angeles, dateert van 1926. In de jaren-30 liepen Verenigde Staten voorop bij de omschakeling van treinverkeer naar autoverkeer. In 1940 was het aantal auto's in de VS gestegen tot 20 miljoen. in 1956 werd begonnen met het Interstate Highway System, een federaal plan voor de aanleg van 42.500 mijl freeways. De eerste ondergrondse metro van New York (de Rapid Transit Railroad of New York Subway) dateert van 27 oktober 1904:
commerciële lucthtvaart (vanaf 1919) De eerste commerciële vluchten dateren van 1919. De KLM is in dat jaar opgericht. Het is daarmee de oudste lucthvaartmaatschappij ter wereld. Wat betreft Engeland vermeldt de Blue Guide in 1920:
Op 25 augustus 1919 begon de eerste lijnvlucht tussen Londen en Parijs en vanaf dat moment volgden de ontwikkelingen elkaar in hoog tempo op:
In 1925 waren er dagelijkse lijnverbindingen tussen tal van Europese steden, en zoals de Satchel Guide to Europe in dat jaar vaststelt:
In de 1938-editie van In Europe wijdde Eugene Fodor een apart hoofdstuk ("Across Europe by Air") aan de mogelijkheden van lijnvluchten, met een capaciteit van circa 28 passagiers per toestel, binnen Europa:
In de laatste editie van de Amerikaanse reisgids A Satchel Guide to Europe van William & Sarah Crockett in 1939 (de gids werd oorspronkelijk in 1872 uitgebracht door W.J. Rolfe als A Satchel Guide for the Vacation Tourist in Europe) werd ook ruim aandacht geschonken aan de nieuwe mogelijkheden van de luchtvaart in Europa, met nadruk op het toegenomen comfort van de nieuwe toestellen voor toeristen:
In Europe on A Shoestring (1938) voorspelde Frederic Tyarks dat het niet lang meer zou duren voordat toeristen ook voor een korte vakantie van Amerika naar Europa zouden kunnen vliegen:
Eén van de eerste na-oorlogse reisgidsen ( "many Europeans are having their first vacations since 1939, too"), Fielding's New Travel Guide to Europe, besteedde in de eerste editie van 1948 uitvoerig aandacht aan de voorbereiding op een vliegreis van Amerika naar Europa (pagina's 39-58). En in 1960 schreef Arthur Frommer in Europe on $5 a Day:
Chartervluchten waren begin jaren-60 in opkomst en maakten het vliegen steeds goedkoper. terugval van toerisme a.g.v. internationale spanningen (paspoorten / visa) Het Europees toerisme kende een sterke terugval in tijden van internationale spanningen, onrust en oorlog (1870-1871, 1914-1918, 1940-1945), en in de aanloop en nasleep van zulke periodes. In 1862 was het volgens Pembroke Fetridge in Harper's Handbook for Travelers in Europe, een enorm gedoe met paspoorten:
Soms werd de publicatie van reisgidsen gestopt (bijv. Baedeker tijdens en na WO I en WO II), maar er waren ook reisgidsen die deden alsof er weinig aan de hand was (bijv. Fodor's 'In Europe' in de jaren voor WO II) was en volstonden met enkele gerustgestelde of waarschuwende woorden. Het was geen toeval dat bijvoorbeeld W.J. Rolfe in 1872, een jaar na de Frans-Duitse Oorlog A Satchel Guide for the Vacation Tourist to Europe uitbracht. Van andere reisgidsen (Appleton, Murray, Baedeker) was de publicatie tijdelijk gestopt geweest, en voor een nieuwe gids was er met alle veranderingen die er door de oorlog waren ontstaan, een gat in de markt ontstaan. Het toerisme moest weer opnieuw gestimuleerd worden en de oude gidsen moesten grondig worden herzien. Opvallend was de snelle verschijning van de eerste Blue Guide editie van Muirhead's London and its Environs in 1918 (op 31 mei!). In de Preface merkt Muirhead het volgende op:
In het hoofdstukje "London in War Time" beschrijft Muirhead de situatie in Londen in juli 1917:
In de Introduction van de eerste Satchel Guide to Europe na de 1e WO (de 44e editie, herzien door W.D. & S. Crockett in 1923) wordt maar kort naar de veranderde situatie in Europa verwezen :
Uit de Introduction van de 1925-editie van Rolfe's Satchel Guide to Europe:
Rolfe's Satchel Guide to Europe verscheen nog wel in 1939. Maar uit de "Prefatory Note" van de 54e editie uit 1939 bleek dat de politieke situatie in Europa een actuele reisgids haast onmogelijk maakte:
Zie ook de beschrijvingen in de vooroorlogse reisgidsen "In Europe" van Eugene Fodor in de edities 1936, 1937, en 1938. In 1936 deed Fodor aan de vooravond van de Spaanse Burgeroorlog nog luchthartig over de situatie in het land:
In Fodors volgende gids, 1937 In Europe, moest hij Spanje als vakantieland schrappen:
Over de verslechterende politieke situatie in Italië en Duitsland hield Fodor zich zo veel mogelijk op de vlakte. In de hoofdstukken over deze landen, geschreven door respectievelijk Imre Barcs en L. Ráskay, klonk nog steeds optimisme (met hier en daar een kwinkslag) maar in 1936 kon de gespannen situatie in die landen niet ontkend worden:
In 1939 kon ook Fodor niet meer om de toegenomen spanningen in Europa heen, en werd de publicatie van "In Europe" gestaakt. De vooroorlogse Baedeker-gids van Londen werd daarbij door de Duitsers gebruikt/misbruikt om hun doelen uit te kiezen voor hun bombardementen (de zogenaamde Baedeker raids of Baedeker Blitz van april tot juni 1942 op 'driesterren-steden' zoals Bath, York, Exeter, Norwich, Canterbury). Na WO II beschreven de eerste Baedeker's, Blue Guide, en Red Guide na WO II, de schade die aan Londen was toegebracht. Andere voorbeelden van politieke problemen diede toeristen- en reisgidsenindustrie negatief beïnvloedden: De Russische Revolutie in 1917: de 1914-editie van Baedeker's Russia is om die reden bijzonder. De Chinese Revolutie in 1949: toen Nagel's China in 1968 werd uitgegeven, in het verlengde van de culturele uitwisselingen die er waren ontstaan nadat Frankrijk en China in 1964 diplomatieke relaties hadden aangeknoopt, was er al ruim 40 jaar geen (Engelstalige) reisgids over het land gepubliceerd. Uit het Foreword van Nagel's China:
Maar ook de spanningen tussen het Verenigd Koninkrijk en de Ierse Republiek: Nagel's Great Britain and Ireland van 1953 lokte harde protesten uit (en was de laatste gecombineerde editie van deze gids gids met betrekking tot de 'British Isles' De Russische inval in Afghanistan van 1978 en de Iraanse Revolutie van 1979: aan de vaanf 1973 verschenen Lonely Planet gids Across Asia on the Cheap van 1979 werd een 'bad news' supplement toegevoegd. De militaire coup in 1962 en het dicatoriale bewind in Birma (Myanmar). Door het repressieve karakter van het regime en de arrestatie van Aung San Suu Kyi kwam de Lonely Planet Gids (in 2007 overgenomen door uitgeversconcern BBC Worldwide Limited) over het land onder vuur te liggen. Op de BBC-website (link) verscheen op 27 februari 2008 het volgende bericht:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||