(back to -->>menu) 

itineraries

Romeinse Rijk

De aanleg van goed begaanbare wegen tussen steden was vaak problematisch bij gebrek aan een centrale overheid, en als de besturen van de diverse steden of

gewesten geen groot belang hadden bij de aanleg en het onderhoud of verbetering van wegen. Het was dus vooral in gebieden met een sterk centraal

gezag dat er goede verbindingswegen tot stand kwamen, zoals in het Romeinse Keizerrijk (500 v Chr. - 400 na Chr.).

De wegen verbonden Rome met de lokale bestuurscentra, en bovenal met het uiteindelijke centrum van de macht, Rome. Het waren wegen met estafetteposten waarlangs boodschappers, gezanten, en koeriers te paard snel de hoofdstad konden bereiken (een idee dat ook al in het Perzische Rijk was toegepast in de 6e eeuw v. Chr.) Het Romeinse postwegnetwerk heette "cursus publicus" (= rijks-vervoerwezen). Het waren geen openbare wegen, en er was een vergunning nodig om ze te mogen gebruiken. Ook voor snelle troepenverplaatsingen naar alle delen van het gebied waren goede wegen (of kanalen) nodig. Er waren ook verbindingswegen. Tussen Kleef (dat destijds nog aan de Rijn lag) en Nijmegen liepen bijvoorbeeld drie "heirbanen" (Zie H. Blink in Tegenwoordige Staat van Nederland, 1898). Een belangrijke "heirbaan" liep ook langs de Rijn van Katwijk via Utrecht en Keulen naar Koblenz, en er liep er verder een belangrijke Romeinse militaire weg langs de Maas, van Voorburg (Forum Hadiani) en Naaldwijk naar Nijmegen. Na een periode van verval, werden de wegen in latere eeuwen opgeknapt en als belangrijke reisroutes gebruikt.

Een bekende Romeinse wegenkaart is de Tabula Peutingeriana ( "Peutingerkaart"), daterend van ca. 350 na Christus (zie wikipedia link).

Het is de enig overgebleven getekende Romeinse reisroute, met alle Romeinse provincies en de door Alexander de Grote veroverde gebieden in het oosten.

Dus van de Germaanse grenzen in het noorden tot Noord-Afrika in het zuiden, en van de Ganges in het oosten tot Engeland in het westen.

Er bestaat nog een kopie van uit het eind van de 13e eeuw, bestaande uit een perkament van 6,75 meter lang, in 12 segmenten.

In het westen van Nederland groeven de Romeinen circa 50 na Chr. het Kanaal (of Gracht) van Corbulo (Fossa Corbulonis) als verbindingkanaal tussen de Maas

en de Rijn, en in het oosten circa 12 na Chr. de Gracht van Drusus (Fossa Drusiana) vanaf de Rijn naar het noorden. "Claudius Drusus (...) vereenigt den Rijn en den IJssel door het graven van eene naar hem genoemde gracht van 8000 schreden lang, Fossa Drusiana, om des te makkelijker binnen-door naar Friesland te kunnen komen"(Teenstra, p. 36). Het vervoer van militair materieel door deze grachten was het enige alternatief voor het onmogelijke transport over de vaak drassige bodem

in de rivierendelta. Het transport door de gracht van Corbulo was een alternatief voor transport over zee.

Uiteindelijk bleef het  Romeinse Rijk beperkt tot het gebied beneden de Rijn.

 

Middeleeuwen

In de Middeleeuwen werden, naast dijken, ook voortdurend afwateringskanalen aangelegd als reactie op overstromingen. Door het versnipperde bestuur,

en de rivaliteit tussen naburige graafschappen, heerlijkheden etc. was het werk vaak kleinschalig en niet effectief. Tot 1222 liep er een diepe vaart van

Harlingen ("Alemenum") via Dijkshorne, naar "het Vlieland", dat toen nog deel uitmaakte van de ononderbroken Nederlandse kustlijn.

De vaart was aangelegd door de lekenbroeders Van Ludingakerke (Van Luinkerke) naar hun "Uithof" op het Vlieland (zie Teenstra blz. 141).

De vaart werd als gevolg van hoge vloeden steeds meer verbreed, en in 1237 sloeg het omliggende land helemaal weg (ontstaan van de Waddeneilanden,

verbreding van het Vlie, ontstaan van Zuiderzee).

Tot het midden van de 13e eeuw kon men via een plankenweg over het drassige broekland tussen Stavoren en Enkhuizen lopen (Teenstra, deel 1, pp. 146-7).

Deze plankenweg verdween na de zware vloed van 1250, als gevolg veel broekland werd weggeslagen en Harlingen en Kampen aan open zee kwamen te liggen.

Tijdens het keizerrijk van Karel de Grote (circa 800 na Chr.), dat zich uitstrekte van Denemarken tot aan Spanje, werden de oude Romeinse postwegen

nieuw leven ingeblazen. Vanaf het jaar 783 (volgens Teenstra, p. 68) liet  Karel de Grote overal "provinciale wegen of algemeene heerbanen " aanleggen,

en ook liet hij "de afleidingskanalen van het water" verbeteren. Hij liet "in ieder bisdom, ook in deze kustlanden, algemeene heerewegen aanleggen,

ter verbinding der hoofdplaatsen" (Teenstra p. 75).

Nadat dit Rijk uiteen was gevallen, raakten ook deze wegen in verval. Handelssteden, graafschappen of heerlijkheden die hun weg- of vaarverbindingen wensten te

verbeteren, werden daarbij vaak gedwarsboomd door concurrerende steden en/of onderlinge twisten. Ook verzetten landlieden die de belasting en (al dan niet

kosteloze) arbeid beschikbaar moesten stellen, zich er tegen. Ook machtige geestelijken konden verhinderen dat bochtige wegen werden afgesneden of rechtgetrokken over hun grondgebied, of kloosterlanden. Alleen wannneer een machtige landbezitter (heer, graaf, etc.) voldoende visie en gezag had werden de wegen periodiek verbeterd. Dat gebeurde in de noordelijke Nederlandse gewesten bijvoorbeeld vanaf het jaar 1080 (zie Teenstra, p. 99). Maar de "zeer kronkelenden weg" van Leeuwarden via Heerenveen naar Steenwijk, met een zijtak naar Joure werd pas tussen 1716 en 1723 rechtgetrokken (zie Teenstra, deel 2, p. 138)

De aanleg en het onderhoud van dijken, ter bescherming tegen veelvuldige overstromingen, vormden in Nederland, naast handels- en militaire belangen, vaak een belangrijke aanzet tot onderlinge samenwerking (en, als gevolg daarvan, verbetering van de verbindingsroutes).

In 1531 werd de "zwarte weg" ten oosten Leeuwarden verhoogd, en deels bepuind, en in 1533 werd het bij Lekkum van een tolhuis voorzien (Teenstra, p. 293).

Er was met name behoefte aan goede verbindingswegen bij kooplui, geestelijken, pelgrims (die bijvoorbeeld de voettocht naar Santiago de Compostella wilden ondernemen zoals beschreven in het Iter pro peregrinis ad Compostellam, het door monniken geschreven 5e deel van de Codex Calixtinus, daterend uit ca. 1140) en studenten die andere steden moesten bezoeken, maar het zou nog tot het Roomse Keizerrijk van Maximilliaan I duren voordat er, in 1505, een efficiënt postwegensysteem werd georganiseerd waarvan ook het gewone publiek tegen betaling gebruik mocht maken. Dit wegennetwerk werd tot en met de 17e eeuw verder uitgebreid.

De algemene toestand van het Middeleeuwse wegennetwerk werd door Barbara Tuchman in A Distant Mirror, the Calamitous 14th Century als volgt omschreven:

"The rutted roads, always either too dusty or too muddy, carried an endless flow of pilgrims and peddlers, merchants with their packtrains, bishops making visitations, tax-collectors and royal officials, friars and pardoners, wandering scholars, jongleurs and preachers, messengers and couriers who wove the network of communications from city to city. Great nobles like the Coucys, bankers, prelates, abbeys, courts of justice, town governments, kings and their councils employed their own messengers. (...)

An average day's journey on horseback was about 30 to 40 miles, though it varied greatly. A messenger on horseback, without riding at night, could cover 40 to 50 miles a day and about half as much on foot. In an emergency, given a good horse and a good road, (which was rare) and no load, he could make 15 miles an hour and, with changes of horse awaiting him, cover 100 miles a day. The great merchant cities of Venice and Bruges maintained a regular postal service between them so highly organized that it covered the 700 miles in seven days. Packtrains made about 15 to 20 miles a day; armies, when slowed by baggage wagons and retainers on foot, sometimes covered no more than 8 miles a day. (...) Travelers to Italy across the Alps usually went by way of the Mont Cenis pass from Chambéry in the territory of Savoy to Turin. Snowbound from November through May, the pass took 5 to 7 days to traverse. Traveling from Naples to Paris via this route took five weeks. The voyage from London to Lyon took about 18 days and from Canterbury to Rome about 30 days depending on the Channel crossing, which was unpredictable, often dangerous, sometimes fatal, and could take anywhere from three days to a month." (hfdst 3, p. 56)

Ook vanuit universiteitssteden (zoals Bologna) werden door de langs nationalistische scheidslijnen georganiseerde studentenverenigingen ("nations") snelle postverbindingen georganiseerd met het thuisland van de diverse studenten, langs bestaande handelsroutes.

Bedevaartroutes
Er bestonden in de Middeleeuwen meerdere vaste bedevaartroutes vanuit noordelijk Europa waarlangs pelgrims naar Rome reisden. De vroegste route was de Via Francigena (ook wel "Iter Francorum" of "Via Romea" genaamd), daterend uit de 2e helft van de 8e eeuw. De oudst overgeleverde beschrijving van deze route is van de aartsbisschop van Canterbury (Sigeric) die het traject van 1600 km in 79 dagen aflegde. Het traject begon in Canterbury en liep via Dover, Calais, Arras, Reims, Rroyes, Lausanne, de Grote St. Bernardpas, Pavia, Lucca, Siena, Bolsena en Viterbo, naar Rome. Uit het midden van de 13e eeuw dateert een dagboek van een noordduitse abt, Annales Stadenses". Hierin komt de uitdrukking "Alle wegen leiden naar Rome" voor.

De voornaamste bedevaartswegen vanuit noordelijk Europa naar Rome  

In de late Middeleeuwen waren de vier belangrijkste bedevaartroutes van Noord-Europa naar Rome:

(1) de meest westelijke route via Parijs, Nevers en Lyon, over de Mont Cenis

(2) de oude klassieke "Via Francigena" van Canterbury, via Dover, Calais, Arras, Reims, Troyes, Lausanne, over de Grote St. Bernardpas

(3) de Rijn-route via Duitsland langs Aken, Koblenz, Straatsburg, Bazel, Luzern,over de St. Gotthardpas

(4) de meest oostelijke route door Duitsland, langs Keulen, Koblentz, Mains, Rothenburg, Nordlingen, Donauworth, Augsburg, Innsbruck, over de Brennerpas (die in de 2e eeuw na Chr. door de Romeinen begaanbaar werd gemaakt, en via Zirl, Partenkirchen en Gauting over de Alpen leidde). De route via de Brennerpas verving daarmee de oudere Romeinse route (Via Claudia Augusta) via de Reschenpas (vanuit Trento, langs de rivier de Adige, Ober-Inntal, Gurgltal, over de Fernpas richting Füssen en Augsburg, de rivier de Lech naar een citadel bij Donauworth. Het was de route die in de late Middeleeuwen de belangrijke handelsweg werd naar Augsburg (Fugger-familie) en Neurenberg in Zuid Duitsland, en ook de weg was waarlangs de Italiaanse Renaissance Zuid Duitsland bereikte (Albrecht Dürer) .

De Alpenpassen waren, van west naar oost:

(1) Montgenèvre (in Savoye, de oudste en laagste pas, vanuit Zuid-Frankrijk)

(2) Mont-Cenis (in 11e eeuw populairste pas, vanaf 8e eeuw een abdij/rustplaats te Novalese)

(3) Grote St. Bernard (Romeinse handelsroute, tot 1041 "Mont Jovis" / "Col du Montjoux"; juni-oktober)

(4). Simplon (hele jaar begaanbaar)

(5) St. Gotthard (vanaf de 13e eeuw)

(6) Brenner (die door de Romeinen in de 2e eeuw na Chr. als onderdeel van de militaire weg Via Claudia Augusta begaanbaar werd gemaakt en daarmee de Reschenpas verving)

 

In Italië liep de oudste route door Toscane, via Aosta, Pavia, Lucca, Siena, Bolseno en Viterbo

Pas in de 14e eeuw, vanaf de invoering van het Jubeljaar in 1300, kwamen er enkele alternatieve Italiaanse routes bij. Dit was het gevolg van de grotere aantallen pelgrims uit Noord- en Midden-Europa, de periodiek onveilige route door Frankrijk als gevolg van oplaaiende politieke en religieuze perikelen (de Honderdjarige Oorlog speelde zich vanaf 1337 vooral in Frankrijk af, met opstanden, (pest)epidemieën, hongersnood , en plundering door voormalige huursoldaten), de Franse Paus in Avignon vanaf 1309, het Pauselijk Schisma (1378-1415), de opkomst van belangrijke (handels)steden in Italië , en het ontstaan van nieuwe bedevaartplaatsen in het oosten Italië zoals Loreto en Assisi.

De alternatieve route door het midden van Italië ging door Parma, Modena, Bologna, Imola, Faenza, Forli en Firenza, waarna men kon kiezen om òf via Assisi, òf Siena, òf Orvieto naar Rome te reizen.

De meest oostelijke route liep langs de bedevaartplaats Loreto. (Zie link)

Iter pro peregrinis ad Compostellam, ca. 1140 (link) wordt wel beschouwd als de vroegste reisgids. Deze "Gids vande Pelgrim" beschrijft de reis die pelgrims aflegden vanuit Frankrijk naar Santiago de Compostella in Noord-Spanje, met praktische info over de aanbevolen rustplaatsen, vervoer, etappeplaatsen, relieken en religieuze bezienswaardigheden, plaatselijke gewoontes, taal, waarschuwingen tegen slecht voedsel, oplichterijen, etc. Het geeft ook een beschrijving van de stad Santiago de Compostela en haar kathedraal. Deze reisinformatie staat beschreven in het 5e boek van het Codex Calixtinus (ook wel Liber Sancti Jacobi genoemd). Het is vermoedelijk door de monnik Aimery Picaud geschreven. In de wegbeschrijving worden vier hoofdroutes door Frankrijk beschreven:

1. Via Turonensis: vanaf Parijs, via Orléans, Tours, Poitiers en Bordeaux.

2. Via Lemovicensis (de Bourgondische route): vanaf Vézelay, via Nevers, Limoges en Périgieux.

3. Via Podiensis (de Auvergne route): vanaf Le Puy-en-Velay, via Conques en Moissac

4. Via Tolosa: vanaf het beginpunt Arles, via de Province, Montpellier, Toulouse, naar de oostelijke Pyreneenpas, Col du Somport (met het Santa Cristina hospiitaal)

De eerste drie routes kwamen allemaal uit bij de westelijke Pyreneënpas, de Porte de Size-pas. In Spanje werd vervolgens de Camino Aragonés gevolgd.

Vanuit de Noordelijke Nederlanden, Duitsland en de Britse Eilanden waren er vier hoofdroutes waarlangs pelgrims door de Zuidelijke Nederlanden naar Parijs reisden van waaruit ze en vervolgens langs de Via Turonensis naar Compostela reisden (zie link). In de vroege Middeleeuwen waren de handelssteden Brugge, Gent, en Nieuwpoort belangrijke verzamelplaats. Vanuit Nieuwpoort konden pelgrims de Romeinse hereweg Via Yprensis richting Ieper volgen, vanuit Gent de Via Scaldia (Scheldeweg) richting Doornik, en vanuit Brugge de Via Brugensis die vanuit Sluis via Brugge naar Menen, Arras, etc. Brugge had sinds 1134 een open zeeverbinding (het Zwin ontstond door een grote stormvloed). Haar betekenis als havenplaats en verbindingsplaats voor reizigers vanuit Groot-Brittannië, noordelijke handelssteden als Lubeck, Bremen en Hamburg, en zuidelijke havensteden als La Coruna (vlakbij Compostela) en Bordeaux was omdat het één van de 4 hoofdkwartieren van het Hanzeverbond was. Ook over land had Brugge goede verbindingen met zuidelijke handelssteden in Italië , die goed aansloten bij de pelgrimsroute naar Rome. In de loop der tijd slibte het Zwin dicht en ontstonden er voorhavens, respectievelijk Damme, Hoeke, St. Anna ter Muiden, en Sluis (nu in Zeeuws Vlaanderen), totdat haar rol als hoofdkwartier van het Hanzeverbond in 1520 werd overgenomen door Antwerpen.

 

Hanze-routes (link)
Vanaf de twaalfde eeuw onstonden er vanuit het gebied rond de Noord- en Oostzee nauwe contacten tussen een toenemend aantal handelssteden. Het centrum was de stad Lübeck. Het verbond bereikte haar hoogtepunt in de 14e eeuw, en strekte zich uit van Londen tot Novograd. Het aantal deelnemende steden bedroeg toen ca. 200. Er waren op onregelmatige tijden bijeenkomsten waaraan de afgevaardigden van de deelnemende steden konden deelnemen. De routes tussen de steden werden door de samenwerking veiliger en sneller. Voor de handel overzee werd een nieuw type schip geïntrodeceerd, de kogge. Deze kogges voeren waar nodig en mogelijk in konvooi en werden militair beveiligd.

Ook werd, vanuit Lübeck', het Nedersaksisch vanwege de handelscontacten de voertaal (lingua franca) waarmee men zich in al die steden verstaanbaar kon maken. Het Friese dialect werd hierdoor ca. 1500 bijvoorbeeld in Groningen en een eeuw later ook in Oost-Friesland, door het Nedersaksisch verdrongen. Zie wikipedia.

Later werd, tegelijkertijd met de afnemende invloed van het Hanzeverbond en de groeiende centralistiche macht van het Habsburgse Rijk o.l.v. de in Gent geboren en in Brussel hofhoudende Karel V, de invloed van het Nedersaksisch als ligua franca weer teruggedrongen door het Brabants (Antwerpen, Brugge, en Brussel), en het Hoogduits (de taal die, gebaseerd op de Duitse dialecten van Saksen, Thüringen en het noorden van Bohemen, onder invloed van de Bijbelvertalingen van Luther in het begin van de 16e eeuw, steeds populairder werd).

 

16e eeuw: Spaanse route

Vanaf 1567 werd door Filips II een miiltaire route aangelegd van Noord Italië naar Brussel, de "Spaanse Weg" (link) genaamd. Deze liep geheel door onder Spaans/Habsburgs/Bourgondisch gezag staand gebied ten oosten van de toenmalige Franse grens. Troepenverplaatsingen over zee waren sneller (ca. 200 km per dag) maar minder veilig dan over land. Het was bovendien een landroute waarmee geen hoge bergpassen en grote rivieren hoefden te worden overgestoken. Delen van de route waren ook voordien al in gebruik, maar werden door Filips II samengevoegd. De route werd ook door kooplieden en Grand Tour-reizigers gebruikt, en bleef tot circa 1620 in militair gebruik. Maximillien Misson volgde tijdens zijn Grand Tour 1687/1688 op de terugreis ongeveer dezelfde route, vanuit Noord Italië, via Savoye, Genève, Lotharingen, richting Brussel. Met name in de Savoie ontstond langs deze route ook een systeem van revitailleringsplaatsen, met herbergen die zich op een dagreis afstand van elkaar bevonden (etappes), vergelijkbaar met een postroute. De Spaanse legers verplaatsten zich in die tijd gemiddeld over een afstand van circa14 mijl / 23 km per dag.

Ook zou Filips II, in de 80-Jarige Oorlog later het initiatief nemen voor het graven van een aantal grachten. Zoals de in 1626 begonnen, maar onvoltooid gebleven, Fossa Eugeniana (een Schelde-Maas-Rijnverbinding van Venlo naar Rheinberg bedoeld om de

Rijnhandel naar de Hollandse steden af te snijden, zie link).

In Engeland werden onder het bewind van het Huis van Tudor (vanaf Hendrik VIII) een zestal "koninklijke" postwegen vanuit Londen aangelegd, waarover postrijders te paard reden die na elke post (een etappe / stage van circa 20 mijl), werden ververst. Tot de 18e eeuw bleven dit de enige goed begaanbare wegen. Behalve voor briefbezorging ("letter post"), waren deze wegen, tegen betaling aan de postmasters (deze beheerders van de postwegen werden circa 1700 in het Reisboek van Jan ten Hoorn "post-comptoirs" genoemd) in de post-houses ("posthuizen"), ook toegankelijk voor personenvervoer ("travelling post").

Voor het personenvervoer op andere, slechter begaanbare routes bleven de gewone koetsen ("gemeene wagens", ofwel "Ordinaris wagens") van particuliere ondernemers (stage coaches) rijden. Hierin was plaats voor maximaal 15 personen, en ze waren vaak log en traag. Deze wegen waren vaak bijzonder slecht omdat er ook logge boerenwagens over reden. Het zware vervoer (vergelijk ook de zware "Hessenwagens" die buiten de bewoonde gebieden moesten omrijden) werd van de "snelwegen" (de postwegen) geweerd om het wegdek niet te beschadigen, maar tegelijkertijd werden die secundaire (mindere) wegen daardoor nog slechter.

Het is wellicht niet toevallig dat de beroemde Itinerary van John Leland (1503 - 1552, link) werd verzameld tijdens het koningschap van Hendrik VIII. Leland inventariseerde boeken uit de kloosters (die sinds de First Suppresion Act op grote schaal waren geplunderd), en maakte ook lange reizen door Engeland, Wales en Ierland. Zijn aantekeningen waren op hun beurt weer een belangrijke informatiebron voor William Camden (1551-1623, link) voor zijn Britannia (een county-by-county beschrijving van Groot-Brittannië en Ierland, in het Latijn uitgegeven in 1586, met vele herdrukken, in 1607 voorzien van county maps door Christopher Saxton, later vertaald in het Engels door Philemon Holland in 1610, en opnieuw vertaald in 1695 door Edmund Gibson, met county maps van Robert Morden, 2e druk in 1722 ff.)

Ten gevolge van de Highways Act van 1555 werd het onderhoud van wegen die naar marktplaatsen leidden aan de gemeentes opgedragen. Het was geen groot succes. Door het intensieve gebruik van de wegen ontstond er achterstallig onderhoud (gaten), waardoor er bij amendement in de Highways Act van 1562 werd bepaald dat elk gezinshoofd 6 i.p.v. 4 dagen per jaar aan het onderhoud van wegen moest besteden, en het de opzichters makkelijker werd gemaakt over het benodigde grind of puin te beschikken waarmee de gaten gevuld moesten worden (uit steengroeves, of uit de bodem). Dit zorgde voor weinig verbetering. In een inventarisatie van het Amerikaanse systeem van "Road tax" ( "personal service and commutation"), dat op het Britse systeem van "statute labor" (in Frankrijk ook wel "Corvée", of "Prestation en Nature") was gebaseerd, toonde Gillespie in A Manual of the Principles and Practice of Road-Making (1847 & latere edities) aan wat de gebreken van dit systeem waren. De verplichting van mensen, die geen specialistische kennis hadden van de aanleg van wegen, om een aantal dagen per jaar te helpen bij het onderhoud (of de aanleg) van wegen, leidde er toe dat het onderhoud amateuristisch was. Degenen die voor het werk werden opgeroepen konden er een halve vakantie van maken. Ook het jaarlijks opnieuw kiezen van lokale toezichthouders (commissioners & overseeers) maakte dat eventuele opgedane deskundigheid na elke verkiezing weer verloren kon gaan. Vanuit een breder perspectief bezien was het bovendien onbevredigend dat de kwaliteit van een stuk weg afhing van de financiële draagkracht, het aantal beschikbare mensen, en de welwillendheid van de afzonderlijke gemeentes (pp. 341-345).

reizen met een educatief doel; de achtergrond van de "academiereis" ("peregrinatio academia") ,"educatieve reis" als "pelgrimaedje"

Historisch gezien lag de opkomst van het reizen met een educatief doel (naar verweggelegen scholen, academies, hogescholen en unversiteiten) in belangrijke mate in het verlengde van het reizen in het kader van een pelgrimstocht. De eerste scholen en studenten ("klerken" of "clerks") waren nagenoeg altijd verbonden aan religieuze instellingen zoals kloosters en kerken. De hoofdzakelijk theologisch geörienteerde studieinhoud van de eerste (Italiaanse) universiteit te Bologna werd bepaald door het toenmalig kerkelijk gezag. Tijdens het Concilie van Clermont in 1130, van Reims in 1131 en het Tweede Lateraans Concilie te Rome van 1139 werd bijvoorbeeld een verbod uitgevaardigd tegen de studies medicijnen en civiel recht (zie A History of the University in Europe, deel 1, pagina 78). Onderweg  naar hun reisdoel, en bij hun aankomst aldaar, genoten studenten veelal dezelfde bescherming en voorrechten als de bedevaartgangers die als sinds de vroege middeleeuwen (of zelfs al vanaf de bekering van de Romeinse keizer Constantijn) zuidwaarts trokken. De wettelijke bescherming die bonafide ("gecertificeerde") pelgrims al sinds de Karolingische tijd (8e eeuw) genoten, werd later ook formeel vastgelegd voor studenten die met officiële toestemming van een kerkelijke en/of wereldlijke autoriteit reisden. In het jaar 1155 verleende de Roomse Keizer Frederick I Barbarossa het recht van vrijheid van reizen en veilig verblijf aan alle onderwijsinstellingen. Hij deed dit naar aanleiding van een petitie van studenten aan de Italiaanse universiteit van Bologna die klaagden dat buitenlandse studenten voorheen konden worden gearresteerd en gegijzeld als vergelding voor een schuld of misdrijf van een landgenoot. (Zie A History of the University in Europe, deel 1, pagina 79). Ook Paus Alexander III (1159 - 1181) bekommerde zich actief om de bescherming van reizende studenten.

Tijdens het gedeelte van de reis dat door Duitsland voerde ("iter germanicum") werd er gebruik gemaakt van bestaande handelsroutes, inclusief de Hanzeroute naar de universiteitsstad Rostock (en Greifswald), de route via de Brennerpas naar Padua, Ferrara en Venetië, en de "Dutche Road" of  "merchandese road" langs de Rijn langs de universiteitssteden Keulen, Heidelberg, Straatsburg, en verder via Basel en de St. Gotthardpas naar Milaan. In Frankrijk ("iter gallicum") konden de oude pelgrimsroutes worden gevolgd die via Parijs naar Rome, Jerusalem en Santiago de Compostella voerden (langs de universiteitssteden Orléans, Bourges, Poitiers, Bordeaux en Cahors. In Italië ("iter italicum") werden de oude Romeinse wegen gevolgd.

 

Frederik Coenders van Helpen (1557-1560, zie Anna Frank van Westrienen's De Groote Tour)

De (eerste) educatieve reis (1557-1560) van de jonge Frederik Coenders en zijn broer duurde 3 jaar en verliep als volgt:

- In het voorjaar van 1557 vertrok Coenders uit zijn woonplaats Helpen bij Groningen naar Amsterdam, via Rolde, Beilen, Ruinen, Meppel, Zwartsluis

- vermoedelijk nam hij vanuit Zwartsluis de boot naar Amsterdam

- vervolgens trok hij via Dordrecht (Dort) door de zuidelijke Nederlanden via Antwerpen, Mechelen, Leuven, Hasselt en Maastricht

- daarna ging het zuidwaarts langs de Rijn, via Aken, Gulick, Keulen, Coblentz, Oberwesel, Mainz (een route die tot in de 19e eeuw tot de Grand Tour bleef behoren)

- onderweg ontmoeten ze Belgische vluchtelingen in het plaatsje Klein Franckental

- zijn eerste reisdoel was Heidelberg en Tübingen.

- Aan de universiteit van Tübingen liet hij zich, samen met zijn broer Everhard, op 29 mei 1557 inschrijven.

- Het bezoek aan de universiteit van Heidelberg wordt in het Reisjournaal ook genoemd vanwege de vermaarde jurist Fraciscus Baldunus.

- Ook Stuttgart werd bezocht

- Gedurende de zomer verbleef Coenders aan de universiteit van Reutlingen, waar de gerenomeerde jurist Matteo Gribaldi (1500-1564) doceerde.

- In Worms noemde hij de belangrijke conferentie tussen protestanten en "papisten" die daar in 1540 had plaatsgevonden.

- Vervolgens reisde Coenders naar Zwitserland, en bezocht achtereenvolgens Basel, Lausanne, Genève, Bern, en Zürich

- In november 1557 schreven de twee broers zich in aan de universiteit van Basel , waar ze 7 maanden verbleven, en de Franse taal leerden

- Ze kwamen in Basel met de wiskundige Johannes Acronidus in aanraking, en ontmoetten daar ook Bernard Coenders en Johannes de Mepsche

- Op 17 juni 1558 arriveerden ze  in Lausanne, waar een theologieschool stond.

- Vanuit Lausanne maken ze een tocht langs het Meer van Neufchâtel en het Meer van Genève, in het canton van Bern

- In Genève hoorden ze Johannes Calvijn (1509-1564) spreken

- Vanwege de religieuze oorlog tussen Spanje en Frankrijk besluiten ze niet naar Frankrijk te gaan, en blijven een jaar in Lausanne.

- Hun preceptor (mentor) Phillipus Martius gaat wel naar Toulouse (.......)

- In juni 1559 verblijven ze in Zürich, waar ze toegang zochten tot illustere predikers en professoren

- Vanuit Zürich ondernemen ze een excursie door Thurgau, om het Bodenmeer, via onder meer Winterthur, Gossau, St. Gallen, Lindau, Konstanz, Schaffhausen

- In de herfst van 1559 zijn ze terug in Zürich, en als gevolg van ziekte ("vierdaagse koorts") besloten ze in maart 1560 "van lucht te veranderen"

- De terugreis verliep via Baden, Basel (verblijf van 2 maanden), Straatsburg, Speyer, Keulen, Neuss, Dusseldorf, Duisburg, Wesel, Emmeric

- In Nederland trokken ze langs Doetinchem, Zutphen, Deventer, Hattem, Zwolle, Hasselt en Zwartsluis

- Tijdens de Pinksteren van 1560 waren ze weer thuis.

De tweede reis van Frederik Coenders vond plaats in 1567-1569, vanuit Ringerbrugge in het graafschap Bentheim, waar hij met zijn familie in ballingschap verbleef.

- Volgens de reisjournaal-aantekeningen begon deze reis in de zomer van 1567

- In Emmerich verbleef hij korte tijd bij familie, en vervolgens ging de reis weer langs de Rijn, door Neus, Keulen, Speyer, naar Heidelberg

- In Heidelberg verbleef Coenders 11 weken (universiteitsstad), en hij bezocht ook de herfstmarkt in Frankfurt

- Vanuit Heidelberg trok hij via Straatsburg, Colmar, Basel, Solothurn, Bern en Lausanne naar Genève, waar hij op 4 oktober 1567 aankwam.

- In Genève bevonden zich uit Lyon gevluchtte Protestanten, naast vluchtelingen uit andere landen.

- Door de godsdiensttwisten (tussen de Franse koning en de Hugenoten) werd de reis naar Frankrijk afgeblazen, en brachten ze de winter in Genève door.

- De terugreis liep via Bern, Zürich, Schaffhausen, Basel, Straatsburg, Heidelberg en Frankfurt, door centraal Duitsland langs de Main en Donau richting Wenen

- In Wenen verbleef hij 17 weken, en vertrok er op 5 februari 1569; hij bezocht er onder andere een dierentuin met een olifant, tijger, leeuw, struisvogel en beren

- Het volgende reisdoel was Praag, waar hij 4 dagen bleef.

- Het laatste traject van de reis liep langs Dresden, Wittenberg (universiteit van o.a. Maarten Luther), Magdenburg, Braunzweig (Brunswick), naar Bremen

- Op 3 maart 1569 was Frederik Coenders in Bremen, waarna hij zijn familie opzocht, en de verhalen over Alva hoorde

De derde Europese reis van Frederik Coenders (1570 - 1572) omvatte eindelijk ook Frankrijk, langs een route die ook latere toeristen zouden blijven volgen.

- De heenreis begon in het dorpje Greven (Grevinge), waar hij 8 maanden bij familie was geweest

- Deze keer stond het reis in het teken van een Franse taalstudie van zijn twee neefjes Rembert Jensema en Johannes de Mepsche die hij als mentor begeleidde

- Hun eerste reisdoel was de beurs van Frankfurt waar ze op 2 september 1570 aankomen (via Wesel, Neuss, Keulen, Mainz, en Cassel)

- De reis door Zwitserland werd onderbroken In Payrene toen ze hoorden van een pestepidemie in Genève en omgeving.

- In Payerne bleven ze 3 maanden, van 3 oktober 1571 tot 5 januari 1572.

- Met een gezondgeidsverklaring mochten ze uiteindelijk vanuit Ferne door de Savoye reizen richting Lyon.

- In Lyon kochten ze Franse kleding (om onopvallend te kunnen reizen, en ook om als onderdeel van het doel zich de manieren en omgangsvormen eigen te maken)

- Langs de Rhone reisden ze per boot naar Valence, waar ze op 23 januari 1572 aankwamen, en enkele maanden verbleven (jurist Jacques Cajus)

- Langs Orange, Château Neuf du Pape, Avignon, Pont du Gard, Nimes, Montpellier, soms te paard of per koets ("poste") soms te voet.

- De reis door de Languedoc en de Province richting Pyreneeën: Béziers, Narbonne, Carcassonne, Toulouse,

- In Narbonne konden ze geen huurpaarden krijgen en moesten te voet verder, en ook hun bagage laten dragen.

- In Carcassonne namen ze weer een koets ("poste"); de paden waren onveilig door bandieten en dieven in de Pyreneeën

- Vrijdag voor Pasen aankomst in Toulouse, waar Philipus Martius enige jaren verbleef; op Paasmaandag werd Coenders door koorts geveld; 18 dagen oponthoud

- Met de boot over de Garonne naar Bordeaux

- Vandaar naar La Rochelle, waar Coenders de standvastigheid van haar Protestantse inwoners roemde; via Blaye, Pauillac en Marennes

- Naar Poitiers, en vervolgens door het Loire-gebied naar Orleans (universiteit), via Châtellerault, Tour, Amboise , en Blois

- Aandacht voor kastelen, en vooral voor de geschiedenis m.b.t. de vervolging van de hugenoten

- Op 18 mei 1572 kwam Coenders in Parijs aan, en op 11 juni vertrok hij voor een reisje naar Londen

- In Parijs verbleven ze vlakbij de universiteit, en waren van plan hun Franse talenkennis verder te verbeteren; bezoek aan kerken en paleizen, en de abdij van St. Denis.

- Omdat er een koninklijk huwelijk werd uitgesteld, gingen ze naar Londen op voorstel van Johannes van Gent, en ontliepen de slachting op Bartholomeusnacht

- Over de Seine naar Rouen, en na aankomst in de havenstad Diepe, moesten ze drie dagen moesten wachten op een gunstige wind

- Op 20 juni 1572 vertrok de boot naar Rye (het reisjournaal vermeldt hier het getal 21, wat kan verwijzen naar het aantal uren van de overtocht)

- Op 22 juni 1572 kwamen ze aan in Londen, waar ze tot 22 augustus bleven.

- De oversteek naar huis ging via Greenwich, Woolwich, Gravesend (waar controle plaatsvond) en Harwich naar Hamburg; de overtocht duurde 3 dagen

- Het vertrek uit Harwich was op woensdagmorgen, 13 augustus 1572, en de aankomst in de monding van de Elbe was vrijdagnamiddag 13 augustus 1572.

- Coenders vervolgde zijn thuisreis via Hamburg (16 augustus 1572) en Bremen (20 augustus), en arriveerde uiteindelijk in Stenforden, waar hij zijn familie trof.

 

Aernout van Buchell (1587-1588, zie Anna Frank-van Westrienen's De Groote Tour)

De reisroute van Aernout van Buchell in 1587 -1588 was als volgt (zie Diarium van Aernout van Buchell, uitgave van het Historisch Genootschap, 1907):

- Goede Vrijdag, begin mei 1587: van Utrecht naar Amsterdam

- met de boot naar Bremen

- Vanuit Bremen, zuidwaarts door Minden, Kassel, Giessen, Frankfurt, Darmstadt, Heidelberg (onderbreking door ziekte van een reisgezel, naar Spiers)

- Via Worms en Mainz over de Rijn naar Keulen; hier verbleef hij 3,5 maand, bezoek aan kerken, kloosters, oudeheden; herstel van ziekbed als gevolg van de pokken

- bezoek aan de najaarsmarkte van Frankfurt (Frankfurter Messe)

- 8 oktober 1587: aankomst in Heidelberg, 12 oktober in Ulm, tussenstop van 1 dag

- Via Augsburg naar Padua, via Partenkirchen, Insbrück, over de Brennerpas, Brixen, Trente, en Bassan

- van 21 tot 26 oktober 1587: verblijf in Padua

- per schip van Padua naar Venetië (kort verblijf van 1 dag)

- per boot naar Ravenna, en via Rimini, en Spoleto naar Rome

- 9 november 1587 tot 7 maart 1588: verblijf van 4 maanden te Rome

- in februari een 3-weekse excursie naar Napels, aankomst 14 februari, met een bezoek aan de Vesuvius, Puteoli, Bajae

- vanaf 7 maart 1588: terugreis via Viterbo en Siena, naar Florence (kort verblijf tot 19 maart)

- bezeok aan Bologna: academie, Dominikaans klooster, bibliotheek

- Via Ferrara, Padua, Augsburg, Mains, Bacharach (10 mei 1588), Koblenz, Keulen (hachelijk incident met Spaanse soldaten)

- Vanaf Keulen per boot verder naar Neuss, Dusseldorp, Kaiserswerth, Ruhrort, Duisberg, Orsoy, Wesel, Rees, Emmerich

- Aankomst in Arnhem (week verblijf bij vriend) en door naar woonplaats Utrecht, aankomst 12 juli 1588

 

Pieter Cornelisz Hooft in zijn Reis-Heuchenis (1598-1601, P.C. Hooft's Brieven, deel 2, pp. 407 ff)) wijdde een korte of langere beschrijving aan achtereenvolgens
Heenreis:

11 juni 1598: reis van Amsterdam naar La Rochelle: "van Amsterdam gescheyden ... ende 't schepe gevaeren tot Rochel"

tot 4 februari 1599: verblijf te La Rochelle, waarvan geen aantekening werd gemaakt in de Hoofts Reis-Heuchenis.

4 februari 1599: vertrek uit La Rochelle, met Claes Frenckinck en Volkart de Vlaminck, richting Corson, Nyort, Miaxent, Lusignan (5 feb. 10 mijl, 6 feb. 9 mijl)

7 feb: Poitiers, 's ochtends 5 mijl gereisd (te voet) "een seer grote stadt", met een academie, coopwinckels, huizen van edelen, etc.

10 feb.-12 feb.: Tour, en omgeving ("den Tuin van Vranckrijck"), beschrijving van het huis "Le Plissis", het klooster Marmoutiers, verder naar het plaatsje Amboyse

13 feb.-14 feb: Bloys, bezoek aan speelhuis, verwijzingen naar Henry III, Hertog & Kardinaal van Guise, graf Catherine de Medici

14 feb: Chambourg (4 mijl van Bloys), "het schoonste en heerlijckste gebouw, dat ick in Vranckrijck gesien hebbe van die grote", verder naar St. Laurent des Eaux

15 feb: Orleans: aan de Loire, "veel schone coopwinckels en een academie", 16 feb. naar Argerville (14 mijl), 17 feb. naar Chartres (11 mijl) bezoek aan een tuin

18 feb tot 22 april 1599 verblijf in Parijs, ruim 5 pagina's beschrijving, twee lange "sierlijke' straten, l'ysle, la cité, l'Université, twee bruggen (aan weerszijden bebouwd),

5 tot 12 maart 1599: excursie naar Rouen (excursie van 7 dagen), 12-13 maart: terugreis van Rouen naar Parijs, via Escorcy (7 mijl), en vervolgens "'s Nachts ten twaelf uren voortgereist", 22 maart: "de gemene en solomnele processie tot heuchenisse van 't overgaen van Parijs gesien". 10 april: het overleden lichaam van Gabrielle de Éstree gezien.

22 tot 29 april 1599: reis van Parijs naar Lyon: 22 april "ben ick uit Parijs gereden met willem van Dalen ende Isack van Lemens", via Essonne (7 mijl), Mylly (5 mijl), 23 april naar Pont Agasson (8 mijl), Noyau (8 mijl), 24 april naar Bony (8 mijl), Pouly (8 mijl), 25 april aankomst in Nevers (met een stenen brug over de Loire, kerk, marmeren beelden), 26 april via St Pierre Moustier (5 mijl), Molins (10 mijl), 27 april naar La Palisse (7 mijl), Pocadiere (7 mijl), Tarane (3 mijl), 28 april naar La Bresle (5 mijl), Lyon (3 mijl)

29 april tot 27 mei 1599: verblijf in Lyon (1 korte pagina beschrijving: antiquiteiten zoals aquaduct)

27 mei tot 1 juni 1599: reis vanaf Lyon naar Marseille: "met Van Dalen de Rhone afgegaen", per boot naar Vienne ("het heeft enige antiquiteiten dan wy hadden geen tijt daer lang te blijven", Condrieu (2 mijl), 28 mei naar Tournon (7mijl, "een cleen stedeken ende collegie van Jesuiten"), Valence, Berdiere (9 mijl), 29 mei naar St Esprit (7 mijl) en Avignon (6 mijl,  "een aengenaeme plaets ende seer lustich soo binnen als buiten der stadt", een graafschap "tusschen de Princelijckheit van Oranje en de tusschen Provincen", "al dit gouvernement staet onder den Paus, die er syn legaet seynt"), 31 mei naar Cavaillon (4 mijl), Lambees (5 mijl), 1 juni naar Ayx (3 mijl, een stadje met "slechte muiren"), en Marseille (5 mijl)).
1 juni - 30 juni 1599: verblijf in Marseille,"Alhier ben ick lanck opgehouden, mo die wille dat de Turck op see was", de traffique is niet groot op Spagniën, Italiën, ende Levant"; beschrijving van ligging, versterkingen, handelsverkeer, fruit (sinaasappels/"orengers", citroenen/ "citroniers", granaatappels/ "granades", olijven/"olyviers") en wijn ('vin de muscay')

30 juni t/m 6 juli 30 1599: bootreis naar Genua: samen met de heer Brissonenet uit Orleans en de deense edelman "genaemt otto Brahe". "Sijnde tijdinge, dat de Turck vertrocken was ben ick in een barque gegaen, om na Genoa te varen", 30 juni tot Brigançon, 1 juli tot Carmes, 2 juli tot Buiten Villefranc (op zee), 3 juli tot buiten Monacho (op zee)

6 tot 10 juli: 4 dagen in quarantainne op de boot buiten Genua

10 t/m 12 juli 1599: verblijf te Genua, uitgebreide beschrijving van de stad / republiek: nauwe straten, prachtige huizen en paleizen (van de Duca Dorea, en van Spinola), met veel marmer zoals het grote witte standbeeld van Andrea Dorea "hebbende een turck oft twee onder de voeten"), ook bezoek aan "veel schoone hoven en speelhuizen"buiten Genoa, zoals het paleis van "den ouden Principe Dorea".

13 en 14 juli 1599: reis van Genua naar Milan; in gezelschap van de Deense edelman Otto Brahe, en twee Duitsers (de heren Valckensteyn en Kleiner), vanaf hier worden afstanden in Italiaanse mijlen vermeld, op 13 juli naar Ottadia (20 Italiaanse mijl), Seravalle (30 mijl ), 14 juli naar Pavia (25 mijl, bekend vanwege de strijd tussen de Franse koning François I en de Spaanse koning/keizer Karel V) en Milaan (20 mijl)

14 tot 17 juli 1599: verblijf in Milaan, Spaans grondgebied, "in 't incomen moest ick mijn boecken den inquisiteur tonen", bezichtiging van de kerk, evenals van enkele triomfbogen ter ere van de Infante van Spanje (Isabella Clara Eugenia) die er met Alberto van Oostenrijk en andere hoogwaardigheidsbekleders te zien waren

17 tot 21 juli 1599: reis van Milaan naar Padoa, op 17 juli naar Lodi (10 mijl) en Crema (10 mijl), op 18 juli naar Jorce Vecchio (14 mijl) en Brescia (16 mijl, begin van Venetiaans grondgebied), op 19 juli bnaar Distensa (18 mijl) en Canvalcaselle (11 mijl), op 20 juli naar Verona (13 mijl, vermaard amfitheater), op 21 juli naar Vicenza (12 mijl) en Padua (18 mijl)

21 juli tot 21 augustus: verblijf in Padoa, sinds 1495 onderworpen aan Venetië, "vermaert om sijn academien, principalijck in de Medicine", en "de kerck van S. Antonio"

21 augustus tot 3 december 1599: verblijf in Venetië, gelogeerd bij Francisco Vrient, voor een beschrijving van de stad verwijst Hooft naar de reisgidsen Cosa rare di Venetia", en het boek van de Fransman Villemont; Opmerking:"Venetië abondeert meer van hoererye dan eenige stadt van Italia".

3 december tot 6 december 1599: reis van Venetië naar Bologna: vetrek, 4 december aankomst in Ferrara (een "grote stadt", "qualijk bestraet", een hertogdom in het bezit van de Paus, veel adel, voorheen een van de "heerlijcke ende magnifique steden van Italiën"), 5 december verder naar Alla Scala (15 mijl), en op 6 december aankomst in Bologna (15 mijl)

6 december tot 8 december 1599: verblijf in Bologna ("de straeten sijn veelal met galeriën, waeronder men altijt sonder vrese van quat weder mach passeren")

8 december en 9 december 1599: reis naar Fiorenza (Florence): op 8 december naar Firenzola (30 mijl, op 9 december naar Scarperia (10 mijl, en Fiorenza (14 mijl)

10 december t/m 12 december 1599: kort verblijf in Fiorenza (Florence) i.v.m. tijdschema van hooft die op tijd in Rome wil zijn voor de aanvang van het jubeljaar

12 december t/m 17 december 1599: reis naar Rome, op 12 december naar Poggi bonzi (18 mijl), 13 december Siena (10 mijl, behorend tot de hertog van Toscane, bezichtiging van paleizen van oude families uit vroegere machtige periode, markt, domkerk), Quirico (18 mijl), 14 december Ruderofani (12 mijl), Aquapendente (12 mijl), 15 december Montefiascon (14 mijl), Vitarbo (8 mijl, beroemde warmwaterbronbaden), 16 december naar Roncilione (16 mijl), Baccon (15 mijl)

17 december 1599 tot 15 januari 1600: verblijf in Rome (met puntsgewijze opsomming van bezienswaardigheden),

15 januari tot 16 februari 1600: excursie naar Napels

Terugreis:

1 maart tot 10 maart 1660: reis naar Fiorenza (Florence): 4 maart in Siena na 3-daagse reis, 5 maart in Castelfiorentino, 6 maart in Pisa, met een korte excursie van 16 mijl op 7 maart met de boot via de "fosse" naar Livorno, een klein stadje met kleine haven, waar grote schepen voor het ree blijven liggen, 's avonds te paard terug naar Pisa (15 mijl), 8 maart naar Luca (10 mijl, "staet onder protectie van den coninck van Spaegnien"), 9 maart naar Pistoya (20 mijl), 10 maart aankomst in Florence (20 mijl)

10 maart tot 15 oktober: verblijf in Florence van 7 maanden

15 oktober tot 19 oktober 1660 reis naar Venetië in gezelschap van de heer Jaques Bodouer

19 maart tot 27 maart 1660: 2e verblijf in Venetië, met logies bij Francesco Vrients; het Venetiaanse carnaval gezien, en "haer magnifique bruiloften".

27 maart tot 6 april 1660: reis naar Augsburg: 27 maart vertrek in gezelschap van Jan Mauregnault naar Mestres (5 mijl), 28 maart naar Trevigni (10 mijl), 29 maart via Castelfranco (15 mijl) naar Carpenco (16 mijl), 30 maart met de postwagen via Grigno (15 mijl) naar Persan (23 mijl), 31 maart met de postwagen via Trento (1 mijl) naar Niemarck ("4 Duitsche mijlen"), 1 april via Bolsano (4 mijl) naar Clausen (4 mijl), 2 april via Maulen (3 mijl) naar Sterbsingen (3 mijl), 3 april via Steijner (3,5 mijl) naar Ijsburg (3,5 mijl), 4 april via Seevelt (3 mijl) naar portekerk (6 mijl), 5 april via Poortson (4 mijl) naar amberch (3 mijl), 6 april via Laervelt 93 mijl) naar Augsborgh ( 9 mijl).

6 april tot 9 april 1660 verblijf in Augsburg: "heerlijcke huisen, meestal verschildert", fonteinen, watertoren, speciale stadspoort waardoor men 'snachts naar binnen kan, bevolking is half Luthers half katholiek, Hooft en zijn reisgenoot werden door de magistraat op wijn onthaald; opmerking over de Fuckers (een "vermaerde familie").

9 tot 16 april 1660 reis van Augsburg naar Frankfurt: "uit Augsborch getrocken in een wagen", 10 april via Mete (2 mijl) naar Wijseborch 96 mijl), 11 april via Root 93 mijl) naar Neurenbergh (4 mijl), waar alleen de volgende ochtend tijd was om de stad te bezichtigen ("eenigh fraey gebouw van huisen ende fraey beschildert", maar "haer vermaerde provisiën van cooren ende 't seckhuis hebben wy niet gesien"), 12 april 'smiddags verder naar Heemsberch (3 mijl), 13 april via Wolstadt (2,5 mijl) naar pern (3 mijl), 14 april via Mensberch (3,5 mijl) naar Lentvoort (3 mijl), 15 april via Nisselwang (5 mijl) naar colpach (2 mijl), 16 april via Hanau (3 mijl) naar Frankfurt (2 mijl).

16 april tot 20 april 1660: verblijf in Frankfurt ten tijde van de jaarmarkt, de Frankfurter "misse" ("vermaert door menigerley coopmanschappen"

20 april tot 23 april 1660 reis naar Cassel met een huurkoets ("een coetse op Cassel gehyuirt"), in gezelschap van de heer Philibert du Boys en een Middelburgse theologiestudent, 20 april tot Fryborch (3 mijl), 21 april via Meuseler naar Kerkhoon (2 mijl), 22 april naar Dresen (3 mijl) en Goetsberch (4 mijl), 23 april naar Cassel (2 mijl), waar hij 'savonds de "comedie" bezocht, waar een opvoering was door "jonge studieuse edellieden in Latijn", in aanwezigheid van de landgraaf.

23 april tot 29 april 1660 reis van Cassel naar naar Bremen, 24 april naar Minden, 25 april naar Northem 94 mijl), Seebels (2 mijl), 26 april naar Lamsrang (2 mijl), Hildesheim (3 mijl), 27 april naar Hanover (3 mijl) en Mariendorph (2 mijl), 28 april naar Ferden (6 mijl), 29 april tot Bremen (4 mijl)

29 april tot 8 mei 1660 reis van Bremen naar Amsterdam, over vlak land ("altesamen effen lant"), op 29 april "van hier 's morgens vertrokken op een boerenwagen", 30 april via Delmenhorst tot "buiten Oldenborch" (4 mijl), 1 mei ontbijt in Oldenborg en vervolgens naar "Herberch" (3 mijl), 2 mei naar Aurich (geegeten met graaf en gravin), 3 mei naar Emden (2 mijl, kort verblijf, de stad is "wel gebout, op de Hollandsche wijse"), 5 mei met de boot naar Delfzijl, vandaar uit in een schuit naar Groningen ("alhier gegeten ende gesien de stercke fortezza die de Heren Staeten daer doen maken. 't Is een grootachtige stadt, niet seer volckrijck. Voorts een schuit genomen", 'savonds aangekomen in een herberg (2 mijl van Groningen), 6 mei naar leeuwarden (5 mijl) en Franeker (2 mijl): "Dit is oock seer polijt ende een Universiteyt"., 7 mei naar Harlingen (2 mijl), en "van Harlingen in 't veerschip gegaen"naar Amsterdam (14 mijl) waar Hooft op 8 mei aankwam ("mijn gewenscht vaderlant")

 

17e eeuw

De invoer van een wegenbelasting (tolheffing) zorgde voor een geleidelijke verbetering. Er werden wegen aangelegd en verbeterd, en in plaats van het verbieden van zware voertuigen op bepaalde wegen, konden ze nu naar gelang hun belasting lichter of zwaarder worden aangeslagen. Er ontstond hierdoor een aanmoediging om naar alternatieve vervoermiddelen te zoeken, niet alleen via transport over water en de aanleg van kanalen, maar ook via de constructie van voertuigen waarvoor minder trekkracht nodig was, en/of voertuigen met bredere wielen, die minder schade aan de wegen toebrachten. In de staat New York, waar pas aan het eind van de 18e eeuw een systeem van tolheffing werd ingevoerd, golden in 1847 (t.t.v. de publicatie van Gillespie's boek A Manual of the Principle and Practice of Road-Making) gedifferentieerde tarieven: "the New York turnpike law enacts that carriages, having wheels of which the tire or track is six inches wide, shall pay only half the ususal tolls; those with wheels nine inches wide, only one-fourth; and that those with twelve inches shall pay none at all".  (Gillespie, pp. 191-192)

In 1663 (of 1658, volgens Parnell's Treatise on Roads uit 1838) verscheen het eerste tolhek In Engeland, op een deel van de Great North Road, bij het plaatsje Wadesmill, in Hertfordshire. Deze weg was in zeer slechte staat vanwege de zware wagens met gerst en mout die er wekelijks over naar Wade werden vervoerd, en vervolgens over water naar Londen. ook in de plaatsen Caxton (in Cambridgshire) en Stilton (in Huntingdonshire) werd langs deze weg een tolhek opgericht. Andere tolwegen volgden mondjesmaat. Vanaf 1687 was het wettelijk toegestaan richtingaanwijzers te plaatsen op kruispunten.

In 1625 had John Nordon een road book  gepubliceerd, getiteld "An Intended Guyde, for English Travailers, Shewing in Generall how Far one Citie, and many Shire-Tounes in England, are Distant from Other". Bij afwezigheid van een systematische wegbewijzering (milestones, richtingaanwijzers) waren de aanwijzingen en afstandsaanduidingen nog onvolkomen. De afstanden in deze wegengids waren berekend op basis van de nog primitieve landkaarten uit die tijd (volgens de Bibliography of Road Making and Maintenance van Sidney en Beatrice Webb, 1906, pagina 3). Zo werd de afstand van Londen tot York op 150 mijl berekend.

In 1635 verscheen een gids, getiteld A Direction for the English Traviller by Which he shall be Inabled to Coast about All England and Wales, waarin al verwezen wordt naar de aanwezigheid van wegwijzers.

In 1665 publiceerde John Ogilby (1600-1676) zijn gezaghebbende wegenatlas Britannia, a Geographical and Historical Description of the Principal Roads Thereof (link), met daarop voor het eerst alle belangrijke postwegen. Een herdruk van dit werk verscheen in hetzelfde jaar onder de titel "Iterenarium Angliae: or a Book of Roads". In deze wegenatlas, met honderd langwerpige kaartjes ("strip maps") op een schaal van 1 mijl per inch, gebruikte Ogilby als eerste de standaardmijl van 1760 yards. Hoewel de "statute mile" al in 1595 was ingevoerd, werden tot  dan toe in de praktijk nog steeds de traditionele "long", "middle" en "short" mijl gebruikt, wat tot veel verwarring leidde.

Daarnaast publiceerde hij vanaf 1676 ook een Pocket Book of Roads (eerst onder de title "Mr. Ogilby's Tables") waarvan tot en met het eind van de 18e eeuw maar liefst 24 edities zouden verschijnen. De 24e editie verscheen in 1794. De afstanden, die met behulp van het aantal omwentelingen van een meetwiel waren berekend, waren bijzonder accuraat.

 

Constantijn Huygens (1620, zie Journaal van de Reis naar Venetië, vertaald uit het Frans, 2003)

Constantijn Huygens schreef in 1620 een Reisjournaal toen hij van 25 april tot 7 augustus deel uitmaakte van een diplomatieke missie naar Venetië.

De groep bestond uit een kleine 20 personen, waaronder ambassadeur Van Aerssen, zijn zoon, de hofmeester, zijn secretaris Constantijn Huijgens, "nog een andere jongen" (zie de dagtekening van 31 mei), knechten, waaronder een kok, gewapende escorte. Wanneer er over de weg gereisd werd, huurde men drie of vier vierspan-koetsen (chariots) en een aparte bagagewagen (charette), over meer heuvelachtig terrein 18 paarden, over de Rijn een met zeil overdekt schip en een extra sloep voor de bagage en de knechten. Als de berg te steil en/of te besneewd was, moest men te voet, en eénmaal werd de ambassadeur met een ossenslee de berg opgetrokken. De route was als volgt:

25 april: vertrek uit Den Haag, naar Bodegraven, met 6 rijtuigen

26 april: naar Utrecht (huur van 4 overdekte en 2 open rijtuigen voor het traject naar Keulen) via De Bilt, Doorn, Amerongen en Rhenen, overnachting in Nijmegen

28 april: vertrek uit Nijmegen onder escorte van 20 ruiters, via Kranenburg, Kleve naar Sonsbeck (i.p.v. Xanten / Santen waar een Spaans garnizoen lag)

29 april: Neuss / Nuis (via Moers / Meurs, een bedevaartplek vanwege Eefje "het wonderlijke meisje dat sinds 23 jaar niets meer gegeten of gedronken had")

30 april: aankomst in Keulen (processie, de Dom, het verhaal van de Heilige Ursula), waar ze o.a. vanwege de hoge kosten afzagen van de 23 gehuurde paarden

2 mei: stroomopwaarts (!) met gewone overdekte (trek)boot en open schuit, met escorte van 7 ruiters (voor traject naar Frankfurt) via Bonn naar Rolandswerth

3 mei: via de tolplaatsen ("peages") Linz, Hammerstein, Andernach (behorend tot de keurvorst van Trier), en Engers naar Koblentz (bronwater, brug over de Moesel)

4 mei: via een groot aantal tolplaatsen Lahnstein, Boppard, Sankt Goar, dal van de Lorelei, voorbij Wesel, Bacharach (beroemde Delewijnen)

5 mei: via Heinbach, Trechtinghausen, Bingen (Muizentoren), naar Mainz

6 mei: over de rivier de Main, via Hochst (waar iedereeen van boord moest vanwege "een meer geprivilegeerde vorm van tol") , naar Frankfurt

7 mei: met 3 huurkoetsen (4-span) + 1 bagagerijtuig (wagen) + 2 gezadelde paarden (gehuurd tot Heidelberg) langs Darmstadt, overnachting in Eberstadt

8 mei: over prachtige Bergstrasse via Zwingenberg, Bensheim, Weinheim, naar Heidelberg (houten brug met "schuurachtig dak"; groot wijnvat, kasteeltuin)

11 mei: via Rothenburg, Sinsheim naar Wimpfen ("een keizerstad aan de Neckar) ("we ... reden de hele dag over bergweggetjes, steil, rotsig en smal")

12 mei: via Neuenstadt, "Ohringen, naar Künzelsau ("de wegen nog slechter dan we tot nu toe hadden meegemaakt", grote stukken te voet, "zowel bergop als -af")

13 mei: verder met "vijftien of zestien" paarden, en karren, via Schrozberg naar Rothenburg ("nog slechtere wegen waardoor sommige karren .... kantelden")

15 mei: naar Gerabronn

16 mei: via Schwäbische Hall naar Salzbach an der Murr ("zeer slechte wegen", "onwetende gids", "herhaaldelijk kantelden de rijtuigen met bagage en al")

17 mei: via Bachingen, Waiblingen, Cannstatt aan de Neckar, naar Stuttgart (goede wegen)

20 mei: 'smiddags verder naar Tübingen

21 mei: naar Balingen ("In deze contreien is de Neckar niet meer dan een bergstroom die langs en over de wegen spoelt": "50 keer" doorwaadbare plaatsen)

22 mei: naar Tuttlingen, met dubbel konvooi door vijandig Oostenrijks gebied

23 mei: met kleinere escorte van 6 ruiters, via Engen, door Hegau, naar Schafhausen, Zwitserland (beschilderde huizen, "wat een vrolijk straatbeeld geeft")

24 mei: Schaffhausen (bezoek aan waterval bij het dorpje Neuhausen, een halve Duitse mijl van Schaffhausen)

25 mei: Zürich (beschilderde woningen), via Eglisau, Kloten, vanaf Zürich te paard verder (16 paarden en een bagagekar)

29 mei: verder te paard, aankomst in Chur / Voiro (via Rapperswil a/h Meer van Genève, Weesen, over de Walensee, Walenstadt, Sargans, Ragaz, Graubünden)

30 mei: Splügen, bergpas (via Fürstenau, Thusis / Tusano)

1 juni: vanuit Chiavenna naar Morbegno, bergpas (langs de rivier Mera)

4 juni: Bergamo (via de Valtellina "die bekendstaat als de mooiste en vruchtbaarste vallei van Europa")

6 juni: Brescia (door Lombardije, via Seriate, Gorlago, Palazzolo); vanaf Brescia werden de rijpaarden weer door koetsen vervangen

9 juni: Verona (via Salò, Peschiera, Cavalcaselle): amfitheater, palazzo van graaf van Bevilacqua, Accademia Filarmonica)

11 juni: Vicenza (via San Martino, vlakke wegen, Montebello): Teatro Olimpico, stadhuis, renaissancetuin Giardino Valmarana, het Marsveld

13 juni: Padua (via Costozza, met wonderlijke grotten) en door naar Venetië, verblijf tot 5 juli

23 juni: bezoek aan eiland Murano, met beroemde glasblazerijen

25 juni: bezoek aan haven van Malamocco (op een eiland voor Venetië)

5 juli - 20 juli: zelfde route terug naar Zürich, eerst met "zelfgehuurde koetsen tot aan Brescia, daarna weer grotendeels te paard

23 juli: te paard naar Basel (via Baden, Brugg, langs het kasteel de Habsburg, Säckingen, Mumpf, Rheinfelden), graf van Erasmus, stadhuis, arsenaal

26 juli: Straatsburg (met 4 koetsen en 3 rijpaarden door de Elzas, over een dijk): "één van de fraaiste en indrukwekkendste steden van Duitsland")

29 juli: Speyer /Spiers (via Rastatt, Linkenheim, Graben)

30 juli: door Frankenthal ("de inwoners zijn bijna allen uit de Verenigde Provincies der Nederlanden afkomstig en van onze religie"), Worms, Oppenheim

31 juli: vanaf Mainz weer de zelfde route als heen over de Rijn, naar Bacharach, Bonn, en Keulen

3 - 5 augustus: met de boot van Keulen naar Nijmegen, via Mulheim, Zons, Düsseldorf, Kaiserswerth, Uerdingen, Ruhrort, Rheinberg, Büderich, Wesel, Emmerich

7 aug: met koetsen van Nijmegen naar Den Haag (via Fort Knodsenburg, Rhenen, Wijk bij Duurstede, overnachting te Utrecht, Woerden, Bodegraven, Leiden)

 

Arnout Hellemans Hooft (1649-1651)

Arnout Hellemans Hooft (1629-1680), zoon van P.C. Hooft, maakte zijn grand tour van 31 augustus 1649 tot 10 november 1651, waardoor hij de viering van het Jubeljaar in 1650 in Rome kon meemaken, net als zijn vader dat in 1600 had gedaan. Hij volgde daarbij de reisadviezen die al in 1578 door Justus Lipsius waren opgesteld, en die in de 17e eeuw in de inleiding vormden voor de educative reis. De adviezen werden later ook in het Nederlands  vertaald, en gepubliceerd in de populaire reisgids (in zakformaat), de Wegh-Wyser door Vranckryck uit 1647 van uitgever Van Ravenstein door vele pagina's "reys-wetten" werd aangevuld. Gezien de aantekeningen in zijn Reys-Journael kende hij die adviezen goed (hij noteerde hij een aantal ervan, zie Dietsche Warande, jaargang 10). Behalve gedragsregels en praktisch zaken over geld, herbergen (waarvan hij een lijstje had genoteerd), kleding, afstanden, reistijden, etc., blijkt uit het Reys- Journael ook duidelijk dat hij zich bewust was van de drijfveen die aan een educatieve reis ten grondslag moest liggen, te weten "een lust om uytheemsche Ghewesten en Eylanden te doorsnuffelen, nuttigh alleen van een mensche, daer toe bequaem, aen-gevangen te worden, om konsten of wetenschappen te verkryghen, de welke mochten strecken tot heyl van 't Vaderlandt of 't Ghemeene-best. (zie de Reys-Wetten in Wegh-Wyser door Vranckryck, 1647).

De route van Arnout was als volgt (het Reis-journael is achteraf bijgewerkt, met toevoeging van uitleg en toelichtingen, en wellicht met uitwerking van geheimtaal of andere politiek of religieus-gevoelige informatie):

- Vertrek uit Amsterdam op 10 augustus 1649, via Utrecht en Arnhem

Duitse deel

- 4 september 1649 vanaf Emmerich met een "hendrik over de Rijn", en vervolgens met een gehuurde "kar" naar Keulen

- 5 september  "eten in een boerenhuis" en overnachten op stro "met een sack kooren tot een hoofdperlingh", vlakbij Duisburg, dagafstand ca. 10 mijl

- 6 september: "hier saeghen wij eerst dat de straten tussen dit en Hollandt seer verandert waren" a.g.v. "den Duijtschen oorlogh"

- 7 tot 10 september verblijf van 4 dagen te Keulen; kort na de Dertigjarige Oorlog, met nog buitenlandse troepen in hun stellingen, o.a. Zweden, Fransen, Hesschen

"quade straeten", bezichtiging van de Dom, gegeten met "ons geselschap'  (de heren Hudde, Ooms, Blom, Kieft, Ansloo, en Huddes neefje) en "3 Sweedtsche ruijters"

- 9 september 1649: paspoort afgehaald bij den heer Bilderbeek

- vanaf 10 september van Keulen naar Frankfurt in "een aekjen dat wij huijrden", reisduur 5 dagen, afstand ongeveer 55 Duitse mijlen, kastelen, troepen,verwoesting

- 10 september: "Wij namen de koude keuken mede"

- 11 september in het plaatsje Andernacht: "hier versaegen wij ons onder andere van suurbronwaeter, dat hier heel goet is, om't welk te drinken ook eenige daer 's somers koomen woonen".

-12 september langs Coblentz, Landsteim ("daer de keurvorst van Ments sijn eerste tol heeft; om die te betaelen moesten wij wachten tot dat de poorten op waeren, omdat het sondagh was"), Pedernaacht ("in den duijtschen oorlogh een rechte moordkuijl")

- 13 september; afwisselend passeren ze Hessische en Franse garnizoenen, evenals het casteel Einfeldt ("heel verwoest van de Sweden")

-14 september te Mainz: "Op desen selfden dach was het 5 jaar dat de Franschen hier in gekoomen waeren"; ze verlieten hun "kleijn schuijtjen"

[ van Keulen tot Menz werd de boot door 3 mannen in plaats van paarden getrokken, zie dagboekaantekening van 14 oktober na aankomst in Venetië]

- van 15 september tot 21 september: verblijf in Frankfurt: "Nae de middagh gingen wij de Jeuden sien, die haer hooge feest nu hadden"

  [het verblijf tijdens de najaarsmarkt van Frankfurt, de grootste in Duitsland, was een vast onderdeel van een buitenlandse reis door Duitsland]

   [sinds 1460 was de Joodse gemeenschap wettelijk verplicht in een afgesloten district te vestigen]

- 17 september: bezoek aan het het theater ("nae de middagh sagen wij Mr. La Barre oreeren, en daernae een klught van sijn vrouw, en sijn ander geselschap spelen".

- van 21 september tot 25 september 1649 van Frankfurt tot Neurenberg, "met de koets", 8 personen, 4,5 dagen, totaal 50 Duitse mijlen

- van 25 tot 29 september verblijf in Neurenberg: "Wij kwaemen hier op de rechte tijdt, want de Duijtsche vrede was nu onderschreven, en eerst te dagen voltrockken".

"de straeten sijn der vrij wat schoonder als te Ceulen of Frankfoort"; "Hier saeghen wij eerst veranderingh in 't tellen van de uuren"; "t was eerst daer wij met de waerdt niet spreken kosten"; "de stadt is heel Luitersch; de Catholijcken hebben maer een kleijn kerkjen"; in de bibilotheek was "een ongelooflijke menighte van boeken van allerlei faculteijten: wel tweemael soo veel, bij gissingh als te Leijden"; de speer waarmee Christus is omgebracht mocht Hooft niet zien want die werd alleen aan "den groote heren" getoond.

- 27 september 1649: "Saegen wij de vredewaegen, die de generalissimo van de Sweden had laeten maecken, om nae Sweden te voeren"

- van 29 september tot 1 oktober 1649 reis van Neurenberg tot Augsburg, 34 Duitse mijlen; onderweg "eijeren en droogh broot gegeten, en sober wijn gedronken"

- 30 september

- van 1 oktober tot 4 oktober 1649 verblijf te Augsburg: de stad was een aantal malen veroverd en uitgeplunderd geweest; hier zag Hooft een rijtuig van de Fokkers met 6 paarden, en memoreert de uitdrukking "'t is een rijken Fokkert"; ook bezichtigt hij er "de practijken van het waeter leijden (...) dat seer wonderbaerlijk was".

- van 4 tot 12 oktober door de bergen en op 14 oktober 1649 aankomst in Venetië, reisduur ruim 10 dagen, afstand 103 Duitse mijlen, vervoermiddel: "te peerdt", onderweg vanaf Bassano zag hij prachtige speelhuizen van Ventiaanse edellieden

- 7 oktober 1649: op weg naar Insbruck reizen ze langs een verdedigingswerk (De Schernitz) waar ze hun "gesondtbiref" (gezondheidsverklaring) moesten tonen.

Italiaanse deel

- 10 oktober: In Savenen "daerse eerst Itaeljaens spraeken"; en in Trente: "wij saegen hier de veranderingh van de uuren, die hier op de Itaeljaensche maenier gerekent worden"

- 14 oktober tot 5 november 1649 verblijf in Venetië (3 weken); in Venetië was de joodse gemeenschap vanaf 1516 verplicht in een aparte wijk te wonen, en een gele of rode hoed te dragen; zie de aantekening in het Reis-Journael van Arnout Hooft:: "De hoeden van de Jueden sijn boven altemael roodt, en worden mede afgesloten, gelijk te Frankfort", en later: "wat gewandelt door de plaets van de Jueden, en al die roode hoeden"

- 14 oktober: "Hier was ik blijd' dat ik van de Duytschen [ of, ten minsten 't landt, want met de duijtschen had ik weinig te doen,] verlost was. 't Land is evenwel schoon: meest berghachtig met schoone wijngaarden en steedjes, eenige gansch onbewoont, meest ten deel verwoest"; het volk was "heel onbesnoeijt door de bank (...) seer slaefachtigh (...) deze staeltjes heb ik 'er altoos van gezien (...), vloeken is er geen gebrek (...), dat wat meer als gemeen sijn, sijn hoovaerdigh en oopgeblaasen (...), sij sijn in 't gemeen groote dronkerts";

- 17 oktober: toeschouwer bij traditioneel gevecht tussen Castellanen en Nicolotten ("veel juffrouwen keeken der mede, meest vermomt")

- 20 oktober: bezichtiging van het "arsenael" [ = scheepswerf voor oorlogschepen] ("Ik souw meer aengeteijkent hebben, indien 't mij niet gewaerschuwt geworden waer dat, om quaede suspicie wegh te nemen, te laeten"); deze aantekening en een opmerking over de hoeveelheid aanwezig wapentuig is pas later toegevoegd.

- 24 oktober: bezichtiging aan grafschriften van zijn ooms in de kerk van St. Maria Formosa; 3 ooms van moeders kant beheerden een familiefiliaal in juwelen in Venetië (Anton, Willem en Karel Hellemans); twee andere ooms beheerden een filiaal in Sevilla, Spanje; hun vader Petrus was in Antwerpen gevestigd geweest.

- 29 oktober: bezoek aan het "waepenhuijs op 't paleijs"

- van 5 tot 17 november van Venetië naar Bologna, van Padua met een boot, vanaf Vicenza te paard, "barke de poste" naar Ferrara, en "weder met de schuyt"

- 9 november: bezoek aan amphitheater te Verona, wat alleen tijdens de carnaval werd gebruikt

- 10 november: naar de "ordinarie comedie" te Mantua, met veel aandacht voor de entourage van enkele voorname toeschouwers; en niet voorde voorstelling zelf

- 11 november bezoek aan het "lusthuijs van de hertogh, even buijten de stadt'

- 14 november "gingen wij met de barke de poste nae Ferrara", dag en nacht, 50 Italiaaanse mijlen in 17 uur tijd.

- 15 november in Ferrara moesten ze net als in Mantua en Bologna hun geweer aan de poort afgeven, en ze kregen een "licentie om drie daeghen te blijven"

- 17 tot 19 november: kort verblijf in Bologna

- 19 tot 29 november: reis van Bologna per koets naar Rome: niet iedereen in het gezelschap kon een koets of paard huren; 285 Italiaanse mijlen in 11 dagen

- 20 november gingen ze vanaf Imola te paard verder, "want wij vreesde dat wij er te Faensa geen gekregen souden hebben"

- 23 november: aankomst in Ancona ('s middags de stad bekekene)

- 24 november te Loreto (een "lkleijn plaijsierigh steedtjen"), "t'is maer een straet, daer anders niet dan paternosters en sulk goed verkost werdt"; "een Nederlander en een Engelsch pater Jesuit, want daer sijn der van alle natie, leijden ons om" [toeristische route!!]; "den Engelschman vraeghden ons of 't de Catholijken in Hollandt met Vrankrijk of Spanjen hielden".

- 27 november: "heel quadesteenachtige berghachtige weg" vanaf Faensa, overnachtingen veelal "in de post"; hier werd de oude Via Flaminia (sinds 220 BC) van Rimini naar Rome gevolgd (deze "Flamanian Way" werdin de middeleeuwen ook wel "Ravenna Road" of de "Byzantine corridor" (de route waarlangs als gevolg van de Turkse bezetting van Constantinopel emigranten naar Rome reisden) genoemd, dwars door de Appenijnen, met een brug over de Tiber, en een tunnel nabij Furlo, veel antiquiteiten

- 29 november 1649 tot 20 april 1650 verblijf te Rome (5 maanden); bezichtiging van paleizen, lustplaatsen

- 2 december: Hooft "gingh 't een en ander kopen"; en de "winckels noch al besoeken"

- 5 december: pauselijke mis bijgewoond

- 8 december: excursie naar Tivoli ("een ouder stadt dan Romen")

- 12 december: op een zondag met de koets door Rome om "de seven principale kerken" te bezichtigen; vervolgens "gingen wij in Roma Subterraneâ, daer soo veel over geschreven is, dat 't niet de pijne waert is daer hier van te verhaelen"

- 13 december: plechtige mis opgedargen aan Hendrik IV van Frankrijk (die katholiek was geworden)

- 17 december: bezoek aan een gasthuis "daer veel siecken in laeghen", en ook aan "'t schone en seer rijke hospitael van St. Spiritus"

- 25 december: "Saeghen wij de Paus de mis doen", enrome drukte op het St Pietersplein, met enorme wachtrijen voor "het wieghjen" in de Sancta Maria Major.

- 1 januari 1650: pauselijke mis aan eht begin van het "Jubilèe

- 2 januari: pauselijke mis, voeten van de Paus gekust

- 8 januari: St Pieter beklommen; wapenhuis van de Paus bezichtigd

- groots onthaal gezien van een Milanese prins met groot gevolg (60 karossen met 6 paarden)

- 12 februari tot 7 maart 1650 excursie naar Napels: reisduur circa 4,5 dagen, afstand 128 Italiaanse mijlen; groep van zo'n 20 personen onder begeleiding van een "procaccie" (5 Nederlanders, enige Italianen, 3 Jesuiten, "2 andere paepen", 2 Bourgondiërs, en nog 3 personen).

- 15 februari: oponthoud te St. Agatha: "daer wij (...) 's ochtends wel 2 uuren moesten wachten omdat onsen victorin [= gids] geen gelt had".

- 21 februari: bezoek aan de Vesuvius

- 2 maart: op Aswoensdag in een kerk "daer wij een kruijsjen kregen"; bezoek aan karmelietenklooster

- 6 maart: "te Sermoneta daer Mr. Ripperda dat deerlijk ongeluk gekregen had"; weer herenigd met de procacio ("de procaccie gerecontreert")

- 26 maart: ophanging van twee dieven gezien

- 5 april: "Begost ik mij te laeten schilderen"

- 10 april: Palmzondag: "de wijingh van de palmen"; "de vacantie gingh aen voor 14 daegen"

- 15 april: Goede Vrijdag

- 16 april: vuuurwerk; "de kerk was ook vol lampjens en boven vol vuijr; daer wierden ook aen beijde sijden vuijrpijlen langs een touw geschoten".

- 21 april tot 25 april reis van Rome naar Florence

- 25 april tot 8 mei verblijf te Florence: bezoek aan de bibliotheek van de hertog; en aan het paleis van de kardinaal, met de wilde beesten "elk in haer hok"(leeuwen, tijger, luipaard, 2 beren, 2 stekelvarkens, 2 wolfsherten); "de maelibaen daer de edellui speelden"

- 8 tot 10 mei: reis van Florence, via Pistoja, Luca ("een net steedtjen, wel gefortificeert: sij letten op alles seer naeuw; 't is een republijk") en Pisa naar Livorno (Leghorn); "door een fraeije wegh en een lang bosch, vol wildts en buffels")

- 10 tot 13 mei 1650: kort verblijf in Livorno; bezoek aan de korenopslag ("onder de vesten (...) bewaeren sij wel voor 6 jaren graan"); "De haeven is schoon, die nu niet wel voorsien was om de Fransche roovers"

- 13 tot 16 mei: reis van Livorno naar Genua, met een galeischip met 300 slaven, tenminste 5 aan een riem

- 14 mei te Porto Venere moest men aan boord blijven "om de gesondtheijdt, en de capiteijn gingh self aan landt"

- van 16 tot 20 mei 1650 verblijf te Genua

- 21 mei tot 24 mei 1650 reis van Genua terug naar Florence, eerst met een zeilboot (veloek), later te paard

- van 24 mei tot 27 mei: verblijf te Florence: "in de comedie (...) met fraeije woorden, fraeijer musijk en veranderingen van toneel"

- 28 en 29 mei van Florence naar Siena

- 29 mei tot 17 augustus 1650 verblijf te Siena, inschrijving aan de universiteit, bij de "Natio Germanica" (dit hiled privileges in t.a.v. rechtspraak, reisfaciliteiten, schouwburgbezoek, accijnzen);

- 1 juni: "op de bibliotheek, en eenige boeken daer van gehaelt"

- 7 juni: "de heer Van Sevenhuijsen consiglier gemaekt"

- 23 juni: op bezoek bij de Graaf van Embden

- 24 juni: "s Naemiddaghs had de heer van Sevenhuijsen als consiglier, en de natie audientie bij den groot hertogh en de Prins Matthias, bijde seer vriendelijk".

- 25 juni: naar de comedie; naar het paardrennen

- 22 juli: "met de natie in de Dominikaner kerk daer de prior ons in haelden (...). De heer van Sevenhuijsen, Consiglier synde, was ziek en gingh niet mede, daer anders een stoel voor stont en een knielbank met 2 kussentjen"

- 2 augustus: op jacht met de heer Bolgaro; overnachting in een Kathuijser klooster"

- 17 en 18 augustus: van Siena terug naar Florence

- 18 tot 25 augustus: verblijf in Florence; fonteinen; "naar de Pratolino geweest, daer wij vrolijk waeren"

- van 25 augustus tot 3 september: van Florence naar Milaan, 9 dagen

- 26 augustus: onderweg naar Bologna: "de wegh is al bergh op bergh neer, heel steenachtigh, vol kastanjen en eijkeboomen".

- 27 augustus: Modena heeft "galerijen gelijk Padoua" [= overdekte winkelpromenades]

- 28 augustus, te Parma: "Hier saegen wij al veel koetsen met ossen gelijk daer omtrent 't gebruijk is"; en ontmoetten de heren Van Ceulen en Goikens "in de post"

- 31 augustus: Brescia: hier worden karabijns en pistolen gemaakt; "de stadt is vuijl, vol volks"

- 2 september: verblijf van een extra dag in Bergamo

- 3 september met een schuit naar Milaan "gelijk die van Padua de Adda af"

- 3 tot 13 september 1650: verblijf in Milaan, kerken en kloosters

- 4 september: "'s avondts in de comedie daer Sacchenin geestige poetsen in deed"

- 5 september: "In de comedie die soo goet niet was als daeghs te vooren"

- 6 septemberbezoek aan het kasteel: "daer is voor 6 jaer provisie en altijdt 1500 man in, dat niet te geloven is"; beklimming van de Dom: So sterk een werck dat het eenige vreesch aen den Spaanschen geeft

- 9 september: excursie naar Pavia"; de rivier de Tesin: "een fraeye rivier daer een lange brugh met 6 boogen overleijt, boven overdekt"

- 14 tot 25 september 1650: reis van Milan naar Genève: "van Milaen nae Geneven in 12 daegen, 97 uuren gaens, en een halve dagh te Bern en Zurigh gebleven"

- 15 september aan de voet van de St. Gothard, "in een schuijtjen over 't lak Lugano";

- 16 september: Bellinsona, Zwitserse kleding aangetrokken: "heel op syn Switsers begosten gekleedt te gaen"

- 17 september te Cresciaen, "hier hadden wij bedden onder en begostmen de mijlen op uuren gaendts te reekenen";

    2 uur beklimming van de St. Gothardt, en afdaling; doe langhs de Rijn een schrikklijke wegh af diese Bocca dell'Inferno noemen te Awasso;

    op de berg zagen ze een huisje "daer eenighe geraemten van menschen in stonden die in 't geberghte gebleven waren"

- 19 september: Zürich, een rijk canton "daerse nochtands wel 30000 man souden kunnen waepenen"

- 20 september: wijnproeven in de stadswijnkelder: voornaemelijk van 't jaer 1638 en ook van 1626", ook "koren van 100 jaer" [= korenwijn]

- 21 september: bij een klein stadje i/h canton Bern; een huis op een berg "daer 't huijs van Oostenrijk uytgesproten is, en 't huijs te Habsburgh dat al groot is"

- 22 september Bern; "de beeren die de stadt altydt onderhoudt"; straten "veel met gaelereijen"

- 24 september Lausanna

- 25 september 1650 tot 15 februari 1651: 5 verblijf te maanden te Genève

- 27 september; naar rijschool; "Daer is een gerenomeerde pikeur Frobenius, een switscher, daer wel 20 MMrss bij leeren, meest Duijtschen"

- 30 tot 11 oktober 1651: excursie naar Lyon, totaal 23 "grote mijlen"(ca. 150 km), via Chastillion, Nantua; verblijf in Lyon van 1 week van 2 tot 9 oktober

- 30 september: 7 "grote mijlen, "wel 8 uiren gaendts

- 14 oktober 1651 "beginnen te leeren rijden" [dressuur]

- 11 oktober tot 15 februari 1651 verblijf te Genève: "A la Grand' Rue gaen woonen bij Graef Philip Coenraed van Benthem"; er logeerden 6 anderen, incl. een graaf

- 3 november: boottochtje op het meer van Genève

- 20 november: op een bal geweest "daer de violons waeren, en men tot middernacht dansten"

- 24 november: bruiloftfeest; 25 november nog een bruiloftfeest

- 30 november: Hooft koopt 2 pruiken

Franse deel

- 11 januari "een brief van Sevenhuijsen en myn moeder van Lions gekregen, van de 16 November" [dus pas na 2 maanden ontvangen]

- 15 februari 1651: vertrek uit Genève; uitgeleide gekregen van de graven Van Benthem, Solms, en Holach, die incognito reisden, onder de schuilnamen "Frankèno, Mr. Zobel, en Stamp"; via Remigli (Rumilly), Aix-les-Bains, Chambéry (zetel van het parlement van savoye) , en Grenoble, richting de Savoye en het Rhonegebied; deels per voiturin.

- 18 tot 21 februari kort verblijf in Grenoble

- 26 en 27 februari: kort verblijf in Orange: "half gereformeert en half Catholiek, sij accorderen heel wel en sijn even nae tot de officien" (gelijke toegang tot ambten)

- 3 tot 9 maart: verblijf in Marseille ("geen of weijnigh Hugonots")

- 13 en 14 maart kort verblijf in Nîmes

- 17 maart tot 18 april: lang verblijf in Montpellier en omgeving (excursies, o.a. naar Frontignan: "op een dagh heen en weer")

- 20 en 21 april 1651: kort verblijf in Béziers (goede lucht, water en wijn) [ Béziers was de plaats waar in 1210 een slachtpartij onder de Waldensen plaatsvond]

- 22-23 april: kort verblijf in Narbonne

- 27 april tot 4 mei verblijf in Toulouse; met een "schone nieuwe brugh over de Garonna, een fraeije stadt, groot, schoone straeten en huijsen"

- 8 tot 11 mei: verblijf in Bordeaux: "de haven gesien, die vrij wat bedurven is"

- 15 en 16 mei: kort verblijf in La Rochelle (in 1628 belegerd en ontmanteld door de Franse koning: "nu ontwalt"en "t volk omtrent half van de religie")

- 19 tot 22 mei: verblijf in Angiers

- 24 mei tot 20 augustus 1651: langdurig verblijf in Nantes en omgeving , waaronder Blain, bij bekenden op bezoek en te logeren; jachtpartijen

- 17 juni tot 20 augustus 1651: verblijf te Blain bij de heren De Cran, Martinet, l'Estoc, Madamoiselle Plisson, etc.

- 20 augustus tot 5 september: reis naar Parijs, via Saumur, Tours, Blois (bij kennissen) , Orleans (in herberg met viertal bekenden), vaak bezichtiging van kastelen

- 26 en 27 augustus: kort verblijf in Saumur

- 1 tot 4 september: verblijf in Orleans

- 5 september tot 15 oktober 1651: verblijf in Parijs; 12 september "in de academie [= rijschool] van Monsieur de Vau"; veel bezoeken a/d "comedie" [= het theater]

- 15 oktober tot 21 oktober: reis via Rouen naar Le Havre

- 16 tot 19 oktober: kort verblijf in Rouen ("volk van de religie")

- 21 oktober 1651: aankomst in Le Havre, wapens moesten aan de poort achter worden gelaten ("mijn waepenen liet ik aan de poort")

- 5 tot 8 november: zeereis van Le Havre tot Den Briel; "Op 't schip van Capiteyn Jumbol met 28 stukken en 70 man, en omtrent 18 passagiers"

- 8 november in Den Briel, naar Maeslandtsluijs, de Maas over,

- 9 november per trekschuit van Delft naar Leiden

- 10 november via Haarlem naar Amsterdam

 

Vincent van der Vinne (1653 - 1655)

- Haarlem , Amsterdam, Utrecht, Nuis

- Keulen ("is hart Roomskatolyck"; uitvoerige stadsbeschrijving) )

- Deutz ("recht tegenover Keulen leght Duytz, dat zeer gedestrueert is")

- Mainz ("Men duldt hier niet als Rooms catolijcke")

- Frankfurt

- Darmstadt

- Heidelberg ("hanthaeft als mede den heele Palts de Gereformeerde religie")

- Worms ("De Luyterse en Rooms-katholycke religie is hier int gebruyck")

- Straatsburg (vanaf hier per boot; "gaende ... door landen met vaerten en waters seer op de Hollantse manier")

- Bacherach, Bartelsem ( "hier begint Basels gelt")

- Basel (uitvoerige stadsbeschrijving)

- voorbij Basel bij het dorpje Langenbruck waren de wegen "somtijts soo steijl dat een peert ruijter die niet berijden kan")

- Devellier, Courtetelle (Biel), Tavannes (Dachsfelden) 17 mei  1654: Hier hoorden wij dat wij in Borgonje geweest waren en dat dit dorp weder in Swittselant lagh")

- door het Jura-gebergte (tussen Landron en het St. Johannesklooster liep een vaart)

- van Biel naar Yverdon met een zeilboot over het Meer van Neufchâtel (de "Nieuwenburger Zee", of het Meer van Yverdon)

- Genève (uitvoerige stadsbeschrijving)

- reis van Genève naar Lyon, 22 sep. tot 26 sep. 1654, via Lancy, Bernex, Chancy, Fort L'Ecluse, Longeray, met uitvoerige stadsbeschrijving van Lyon

- Lyon: verblijf van 26 september tot 27 oktober

- naar Grenoble (via Rives op 29 okt. 1654, voorbij Voreppe "en is wel een uur gaens de wegh bestraet")

- Grenoble, verblijf van 3 dagen, heeft een schilderacademie

- onderweg naar Chambery langs het beroemde Kathuiser/Chartreuser klooster ("konnen hier oock 24 uren vrij gelogeert werden, ....geen vrou-luijden . ...")

- Chambéry, verblijf van 2 tot 4 november 1654, uitvoerige stadsbeschrijving

- terug naar Lyon, langs steile weg o.a. bij het meer van Bourget (Daer is noch wel een ander wel gebruijckelijcke weg, die de muijldrijvers en peert ruijters gebruijcken, maer wel te helfte langer, derhalve van de voetgangers niet veel bewandelt")

- Lyon verblijf van 8 tot 29 november 1654

- reis van Lyon naar Tournon van 29 november tot 4 december (te voet,

- Tournon , overwintering tot 29 maart 1655; er was sinds 1536 een jezuïtencollege, Vin d'Heremitasie

- reis tussendoor naar Lyon ( te voet langs de westoever van de Rhône van 19 feb. tot 23 feb.)

- terug naar Tournon op 23 en 24 feb. "een esel geheurt"

- vanaf Vienne per schip ("raekte te scheep en vertrocken smorgens omtrent half negen en quamen omtrent 2 uren tot Tournon, dat anders 12 uren gaens is")

- vertrek uit Tournon op 29 maart, aankomst in Lyon 31 maart, op 1 april door naar Genève

- tussenstop in Monttuel van 2 tot 9 april 1655 vanwege "de onveijle wegh"

- Genève verblijf van 12 april tot 31 mei 1655

- reis naar Parijs te voet van 31 mei 'savonds tot 12 juni, in 13 dagen

- via Savoye (Grand Sacomex, Terre Gex)

- op 2 juni van Châtillon naar St .Claude (pelgrimsoord) in 8,5 uur gelopen,

- op 3 juni naar via Poligny (verwoestingen uit oorlog in 1636 tussen Frankrijk en Franche Comté) naar Oussières in 11,5 uur

- op 4 juni via Dole ( "tot hier toe streckt dat gedeelte van Bourgongien, twelck den koninck van Hispanien toe behoort" = Hoogh / Spaens Bourgongien) naar Auxonne (6 uur)

- vervolgens door Frans Bourgondië (via Buffon, Noyers, Aigremont naar Auxerre; aankomst op 9 juni

- op 10 juni te voet van Appoigny via Dyon (hoofdsatd van Frans Bourgondië) naar Pont-sur-Yonne, in totaal 14 uur gelopen

- de laatste twee dage tot Parijs, via Villeneuve-la-Guyard, Montereau, Melun, Villeneuve-St-Georges en Charenton (vanaf Clairvaux een "mooije vlacke wegh")

- "ruijm 2 maenden" verblijf in Parijs van 12 juni tot 17 augustus

- voettocht via St. Denis (17 aug.), Pontoise, Magny-en-Vexin, Les Thilliers-en-Vexin (18 aug, 14 uur lopen) en Fleury-sur-Andelle naar Rouen (19 aug., 11 uur lopen)

- bootreis van Rouen naar Le Havre van 21 aug. tot 27 aug.

- aankomst in Den Briel op 30 aug.

- van Den Briel via Vlaardingen, Schedam en Delfs-haven naar Rotterdam met het marktschip in 3 uur.

- naar Delft en met de "nacht wagen" naar Haarlem op 31 aug.

 

Maximillien Misson (1691)

De route van Maximillien Misson (1691) liep door Nederland (o.a. Rotterdam, Delft, Den Haag, Leiden, Amsterdam, Haarlem, Utrecht, Arnhem), via Duitsland (o.a. Keulen, Mainz, Frankfurt, Heidelberg, Neurenberg, Augsburg, München, Insbrück), naar Italië (o.a. Venetië, Padua, Loreto, Rome, Napels ), en weer terug door Italië (via Sienna, Leghorn, Pisa, Lucca, Florence, Bologna, Milan, Genoa, Turijn, etc. ) door Zwitserland (Genève, Lausanne, Gruyere, Bazel, Friburg in Brisgow), Elzas-Lotharingen/ Duitsland (Straatsburg, Aken), en de Zuidelijke Nederlanden (Brussel, Antwerpen, Gent, Brugge, Nieuwpoort). Het gebied ten zuiden van Napels (de lijn Loreto-Spoletto-Salerno) werd niet vermeld in de Itinerary van Misson (een overzicht van afstanden tussen Italiaanse plaatsen, toegevoegd in 1714), met als reden: "that country being almost impracticable, and very little frequented, because of the bad inns, in which you find nothing at all to eat, those people being accustomed to provide the strangers but with fire and utensils: an experience that I have had at Salerne" (p. 589).

Misson had een veelzijdige belangstelling, en in de Instructions voegde hij een lijst van aandachtspunten toe met serieuze onderwerpen als "forces, arsenals, garrisons, fortifications, castles, citadels, frontiers, prospects, passes, entries, bridges, customs, fashion of clothes, late accidents, natural features, religion, language, coins, trade, manufactures, art", etc. (p. 535)

In zijn Instructions to Travellers noemt Misson ook een aantal belangrijke evenementen en attracties waarop de planning van de Grand Tour kon worden afgestemd (locaties en data):

- Rotterdam: "the College that bears the name of Erasmus"

- Delft: cabinet of rarities, tombs of Martin Tromp and the Prince of Orange

- Den Haag, de Societeit for "the preasure of seeing good company" (gemengd gezelschap van mannen en vrouwen)

- Leyden: the townhouse, library, the Old Fort

- Amsterdam: the Arsenal, the Garden of Si-mples, the House of Mr. Nuis

- excursie naar Zaandam (Sardam), scheepsbouw

- Utrecht: the public library

- excursie naar het Royal House of Loo

- excursie naar Heemstede

- Franckfurt: "the Senate of Franfurt has promised a place of meeting (in 1713) to those whom they call Calvinists, in the City"(p. 499)

- Heidelberg: tomb of Rudolphus Agricola, university since 1346

- München: paardenraces op de zondag na Epiphany

- vanuit Insbrück: een excursie naar de zilvermijnen, en naar castle of Amras

- Verona: het kabinet van Graaf Moscardo

- excursie naar Padua: bezoek een landhuis

- het rariteitenkabinet in het kasteel van Amras

- vanuit Rimini een excursie naar St. Marino

- vanuit Terni een excursie naar de waterval del Marmore (Cascade)

- de laatste dagen van het Carnaval in Venetië, in ieder geval de laatste 3 weken, of als dat niet lukte, dan in ieder geval de viering van Hemelvaartsdag

     gaming house "Ridotti of Venice"

- the Holy Week at Rome

- "those who happen to be at Rome at the time of the arrival of the Quails will do well to leave the city for two or three days" (p. 539)

- "best perfumed soap is sold at the monastry of Mount Olivet" (p. 545)

- 15-daagse excursie naar Napels, met een 1-daagse excursie naar Salerno, voor bezoek aan de Grotto del Cane (Misson nam een aantal proefhonden mee, p. 545)

- excursie vanuit Rome naar Civita Vecchia, om de haven te bezichtigen

- Siena voor de taal, beter dan Florence en Rome

- paardenraces te Siena op 1 juli en 15 augustus

- Lavorno: stapelplaats (entrepot) voor alle koopwaar vanuit de Levant, galleislaven in Great Hospital, Turkse slaven in "little mosques", grote Joodse gemeenschap

- Pisa; 2 festivals, op 17 januari, 15 augustus

- Lucca: veel mensen spreken er Frans; vrouwen minder onzichtbaar dan in veel andere delen van Italië (p. 553)

- excursie naar Pistoya, met paarderaces op 17 juli, 25 juli, 24 augustus ("these races are very different from those you see at Newmarket", p. 555)

- "marqueterie de Florence"

- the Octave of the Sacrament at Bologna

- Mantua: "see the house of pleasure (...) where there are several things to be viewed" (p. 562)

- the Benedictine monastry of S. Radegonda: "hear the famous Guinsana sing, who is reputed to have the finest voice in Italy" (Misson, p. 571)

- Turijn: the paper windows are here, as well as at Florence, and several other towns in Italy, the most disagreeable sight to a stranger"(pp. 572, 573)

- Genève: natuurschoon, waaronder "one of the finest prosepcts in the world"(p. 574)

- Bazel: "many interesting ceremonies"(p. 577), house and epitaph of Erasmus

 

18e eeuw

Daniel Gerdes (1698 - 1765)

Journaal van de Reis ondernomen door den beroemden geleerde Daniel Gerdes, later hoogeeraar te Groningen . 17 juli 1722 tot aan den 26 december 1722

"Na op den 22 juni 1722 examen als proponent in 't Hage te hebben afgelegd, ondernam Gerdes den hier beschreven togt door Duitschland, Zwitserland, en door een deel van Frankrijk "

- 17 juli: Utrecht - Rheenen - Nijmegen, "slimme en gevaarlijke wegen" /dijk

- 18 juli: van Nijmegen met koets via Craanenburg naar Kleef, 's middags in een kaklesche naar Santen (Xanthen)

- 19 juli: langs Hoogestraat naar de vesting Rhijnberg ("in den vorigen oorlog door de koning van Pruisen geruineert"), langs de Rijn, voorbij Duisberg, naar Nuis

- 20 juli van Nuis ("Neus") naar Keulen ("een groote stad vol kloosters en gelijke als krielende van monniken en Paapen")

- 23 juli over "een seer bezwaarlyken en niet minder gevaarlijken weg gereden van keulen op Swalbach" ("vermaart vanwege de wateren en warme baden"),

             naar Wiesbaden "daar een warm bad is en seer sterk kokend water"

- 27 juli van Swalbach naar Wisbach, Erkenheim, naar Frankfurt (verwijzing naar "Frankfurter Kronyk")

- 29 juli: bezoek aan bibliotheek van de beroemde heer Zach Conr. van Uffenbach, met het marktschip naar Harau

- 3 aug.: "Ben van Harau naar Frankfurt wederom gevaaren bij slegt weer"; verzending van boeken naar de heren Bake en Heineken in Amsterdam

- 4 aug.: van Frankfort naar Heidelberg, Darmstadt, Auerbach, Bentheim, Weinheim

- 5 aug.: bezichtiging van het keurvorstelijk slot van Heidelberg ("schoon het meeste daarvan door de Franschen geruineert is")

- 6 aug.: "naar Swetsingen gereeden met een chaise"

- 10 aug.: "naar Speier gereeden met een chaise om den Hr. Gondela te bezoeken" / "gesien evrscheiden rariteiten van Speier"

- 15 aug.: "van Speier met een chaise op Manheim gereden", en "van Manheim ... op Heidelberg wederom gekeert".

- 19 aug.: "van Heidelberg op Stutgard gereiset per post", door Rohrbach, Leimen, Nusloch, etc.

- 20 aug.: "van Heidelbrun op Lauffen", bezoek aan kunstkamer ("levendige slangen in den azijn ... sien swemmen", "vrouwmensch met eenen grooten baart")

- 23 aug.: "naar Ludwigsburg geweest", 'savonds weer naar Stutgart

- 25 aug.: "per post van Stutgart op Tübingen gereyst", via Walbuch

- 3 sep.: naar Rothenburg ("naar Rottenburg gereden alwaer een Oostenrijks Keisers gymnasium der Jezuiten is".

- 8 sep.: "Ben van Tübingen gereden op Schaafhausen te peerd", via Doslingen, Balingen, Dudlingen, Aldingen, Moeringen (a/d Donau) & Ergen

- 9 sept. 's middags in Schaffhausen aangekomen (alwaar "een groote boet- en bede-dag juist door het gansche Switzer-land was")

- 11 sep.: bezoek aan de waterval ("Ben 's middags ... naar buiten gegaan enden verbaasden Rhijn-val die omtrent een halve uur voor de stad te zien is")

- 17 sep.: "'s avonds ben te Zürich gekomen"

- 23 sep.: buiten Zürich geweest; 'smiddags "op den Z"richer-See gevaaren, al waar men de aangenaamste vüen van de geheele wereld heeft".

               in de kerken wordt nog een gebruik gehandhaaft die voortvloeit uit "de regel van Paulus, dat de vrouwen een teken van 't gesag daar se onder gestelt sijn".

- 29 sep.: afscheid genomen

- 30 sep.: kasteel van Habsburg op een hoge berg gepasseerd; "gereist met de messagerie op Bern".

- 4 okt.: naar de Bibliotheca Publica geweest,

- 6 okt.: de "wijnkeller gesien", het arsenaal ("dat voortreffelijk wel voorsien is en seer groot, daar dog bovendien een ieder man sijn eigen snaphaan, degen, kruid en

              lood door geheel Bernerland hebben moet en een ieder Bailleuschap nog een klein arsenal apart heeft")

- 9 okt. "'s middags in een tuijn alwaer seer veel exotica waren geweest".

- 10 okt. "mijne reise van Bern te voet door de bergen begonnen naa't Oberland. Denselvden avond gekomen te Münsingen, een dorp drie uren van Bern gelegen."

- 11 okt.: "van Münsingen op Thun gegaan 4,5 uur". "de Thuner See is omtrent 6 stonden lang en 2 breed, omtrent een uur boven Thun", "berg-werken met metaal"

              "te Dürstette aengekomen"

- 12 okt.: naar Boetigen, Chillon

- 13 okt. door het Siebendal "In dit geheele dal door welk wij vier dage gegaan. ...De vrouwen sijn heel schoon en wit van huid, dog heeft men bij hunn seer weinig

               en  bijna geen voorbeelden van hoererij of overspel. ... In dit geheele dal ... plant de rijkste boer niet meer koorn, dan 20 tot 30 schoenen lang en 10 - 15

               schoenen breed. ... gevaarlijke bergwegen".

- 14 okt.: "'s avonds sijn wij in 't Gesteig aangekomen"

- 15 okt.: beschrijving van gletsjers, 6 kenmerken, waaronder kenmerk 3: "dat se alle seven jaare gelijk als af nemen, en andere seven jaar wederom toenemen."

         's middags te Ormond,

         's avonds te Banney, "alwaar een soutmine en een sout-kokerij is"

        "en daarna te Aigles aengekoemen ... bij donkere nagt door gevaarlijke wegen, en seer moede sijnde".

- 16 okt.: Van Aigler te peerd gegaan naar Bex-vieux omme ladaar het sout-bergwerk van Canton Bern te sien".

         Via een brug over de Rhone, eind van het canton Bern, "van Aigles op Roche gegaan"

        "'s middags door eenen schoonen en plaisanten weg gegaan op Neustad (Neufvilles)"

- 17 okt.: van Chillon naar Vevay gegaan, "s middags van Vevay te peerd op Lutrin",

              "van Lutrin op Lausanne door de plaisirigste landsdouw van de geheele wereld aan den Genffer-See."

- 19 okt.: van Lausanne richting Genève, via Morgex (afstand: 2 stond), Roll (3 uuren), Nyon en Coppet (overnachting)

- 20 okt: aankomst in Genève ("te Genff aengelanget")

- 3 nov.: "ben ik van Genff gereiset op Morgex"

- 4 nov.: van Morgex naar Yverdun ("van Morgex eerst op entre Rocher door eenen seer slimmen en ongemakkelijken weg, die eertijds vol van rovers en moordenaars geweest is, dog tegenwoordig van ons sonder eenig ongemak gepasseert")

- 5 nov. van Yverdun naar Neufchâtel (= Neuburg: het graafschap Neuburg behoorden aan de koning van Pruisen, maar werd volgens Zwitserse wetten bestuurd)

- 6 nov.: 'smiddags van Neufchâtel naar Rapperschwijl gereden ("5 stonden van Neuburg")

- 7 nov.: verder naar Aarburg, Beuren, Solothurn ("bij slim weer"); bezoek aan het meer van Morat (= Murten), voor een beschrijving verwijst Gerdes naar de reisgids  

            van Burnet (p. 427)

- 8 nov.: aankomst in Solothurn; bezichtiging van stadhuis, fortificatie, " de superstitie is hier groter als bijnaa nergens", verwijzing naar Burnet, pp. 70 en 74.

            's middags verder gereden richting Basel: "denselvden middag syn wij van Solothurn afgereden op Basel en 's avonds gekomen tot wallenburg bij slim weer

            en over dien steilen en gevaarlijken berg bij nagt gereden sonder van 't peerd te komen, daar dog bijna niemand sonder af te stijgen 's daags daarover rijd".

- 9 nov.: "van Wallenburg op Basel gereden in gesellschap des Heeren Garadin van Wien"; 'smiddags aankomst in Basel

- 9 tot 23 nov.: verblijf in Basel: bezienswaardigheden: het Fransche fort Hunningen dat "omtrent een half uurtje beneden Basel aan den Rijn ligt", een schilderij van Holbein in de Franse kerk, de Bibliotheca Publica met zeer oude en kostbare manuscripten, o.a. een Codex Evangeliorum "die op dysend jaar geschat word", ook met het "Cabinet van Curiosa en van penningen", het door Holbein geschilderde portret van Erasmus en een portret van "sig selven door hem selven gemaakt", het testament "van Erasmus eigen hand geschreven",  segelring van Erasmus, etc., het stadhuis, het "raare cabinet van den hr. Tesch waarin veel pictura van Holbein", het arsenaal, excursie naar Augst (Romeinse stad met overblijfselen amfitheater, onderaardse gangen "die meer dan anderhalv uur onder de aarde nog doorgaan", aanbevelingsbrief van Dr. Iseli voor toegang om bijzonder manuscript in te mogen zien in het plaatsje Richenau, "een plaats omtrent vier uren onder Constinz" ("des het der moeite waerd was om daer henen te reisen")

- 23 nov.: van Basel, via Breysach, naar Straatsburg ("sijn wy van Basel den Rhijn af tot op Breysach gevaaren, dog wyl een sterke mist ons belette om verder te

                vaaren hebben den volgenden dag moeten postpeerde nemen en door seer veel fatiguen 'savonds te Strasburg aengekomen doordien wy veertien uuren

               in vijf uuren hebben moeten galoppeeren")

-23 nov. tot 6 dec. verblijf te Straatsburg: bezoek aan Bibliotheca Publica, nieuw hospitaal ("spital"), wijnkeller ("en aldaar wijn van 1472 gedronken", de kathedraal ("munster") met horologie en de toren ("op de twee eerste lagen sijn wij boven op geweest, hoewel niet sonder gevaar"), Jodenhorn ("s nagts blaast men alle uuren op een groot hoorn"), architectuur, boeken gekocht, op 29 nov. naar Wolfsen gereden en "al die solemniteiten gesien die vanwegens de Krooning der Jongen Konings in Frankrijk gehouden wierden", op 30 nov. een miniatuurschilder bezocht ("die voor den besten deser eeuw gehouden werd")

- 6 dec.: uit Straatsburg met de boot vertrokken, in gezelschap van vier reisgenoten, langs Fort Louis ('t welk eene schoone fortificatie is")

- 8 dec.: Speier

- 9 dec. Mannheim ("'s avonds sou een groot bal gehouden worden aan 't hof van den keurvorst van wegens het vertrek van den Bisschop van Münster"),

              Worms ("buiten de stad werden schoone messen van [erlemoeder gemaakt") met een 'admirabel klooster'

- 10 dec.: Oppenheim

- 11 dec.: Mainz (in de Drie Rijkskronen gelogeerd, het "Collegium aldaar gesien", het Jezuïtenklooster, en de Bibliotheca ("die heel fraaj was")

- 12 dec.: Aschminhausen ("Hier is de muijsenturm [?] midden in den Rhijn en een slot aen 't oever")

- 13 dec.: Bachrach ("alwaar de schoonste wijn-was is")

- 15 dec.: Coblentz ("eene schoone fortificatie"), 's avonds provisie van Mosel-wijn opgedaan"

- 16 dec.: via Andernach ("eene Keulse stad"), naar Bonn ("alwaar een e sonderlinge solemniteit wierd van wegens de intocht der Bisschops van Munster")

- 17 dec.: via Keulen naar Mulheim

- 18 dec.: Dusseldorf ("aldaar het keurvorstelijk paleis gesien", "schoone stauen, "sonderling veel schildereien van de vermaardste schilders")

- 19 dec.: Wesel

- 24 dec.: Utrecht ("te Uytrecht wederom aangekomen")

 

De in 1719 verschenen Pocket Guide for the English Traveller van Thomas Gardner was een verkorte versie van Ogilby's Itinerarium Anglae.

Pas aan het eind van de 18e eeuw werd Ogilby's wegenboek vervangen door de de publicaties van Daniel Paterson, en met name door de

Traveller's Companion van John Cary (uitgegeven tot 1828), en Cary's New itinerary vanaf 1798 (heruitgegeven tot 1828). Het was noodzakelijk geworden

het sterk uitgebreide aantal Britse postwegen opnieuw te inventarieseren, en Cary was degene die dat ter hand nam.

In 1706 kwam de eerste tolweg in handen van particulieren (in plaats van plaatselijke magistraten). Het aantal tolwegen nam echter maar heel langzaam toe:

"the great roads of England remained almost in their ancient condition, even as late as 1752 or 1754, when the traveller seldom saw a turnpike for 200

miles after leaving the vicinity of London" (Parnell, p.24). Pas na de vrede van 1748 (na de Oostenrijkse Successieoorlog) begon het aantal tolwegen

belangrijk toe te nemen (zie Parnell, p. 20). Vanaf 1760 tot 1774 kwamen er 452 tolwegen bij (op basis van evenzovele Turnpike Acts),

van 1785 tot 1792 waren dat er 302, van 1792 tot 1800 in totaal 341, en van 1800 tot 1809 een aantal van 419, en sindsdien nam het aantal nogprogressief toe.

In 1833 meldde Henry Parnell dat er 23,000 mijl aan tolwegen was aangelegd (Zie Parnell's Treatise on Roads, pp. 24, 25). De General Turnpike Act van 1766

maakte het voor alle tolwegen verplicht milestones te plaatsen. De General Turnpike Act van 1773 vergemakkelijkte de oprichting van Turnpike Trusts ,

en maakte het plaatsen van afstandsbordjes naar de dichtstbijzijnde marktplaatsen langs deze wegen verplicht.

Maar ondanks de toename van het aantal wegen als gevolg van de Turnpike Acts, waarbij de tolheffingen toevielen aan investeerders (trustees)

die weinig of geen verstand van wegen hadden en op wie bovendien geen afdoende controle mogelijk was, betekende dit niet dat de kwaliteit van de wegen toenam.

Ook de toestand van tolwegen was vaak erbarmelijk (zie bijv. het verlsag van Arthur Young, in zijn Six Months' Tour, uit het jaar 1770, aangehaald door Parnell, pp. 22-24).

Reizen door Schotland was zeer traag, de wegen liepen dwars over heuvels in plaats van erom heen, en waren vaak te steil voor paard en wagen.

De postkoets van Edinburgh naar Glasgow deed er midden 18e eeuw nog anderhalve dag over. De postkoets van Londen naar Edinburgh, die in 1763 eenmaal per

maand afreisde, deed er 12 tot 14 dagen over. De oorzaken van het gebrekkig functioneren van de tolwegen lag volgens Parnell volledig bij de "turnpike trustees"

(d.w.z. de  vergunninghouders / eigenaren / aandeelhouders van de tolwegen). In de praktijk lag het beheer van een stuk tolweg in handen van vaak meer dan

100 personen (boeren, landeigenaren en handelslieden die grond aan de weg hadden liggen, of die er een ander belang bij de hadden), waarbij de besluitvorming

zelden op basis van deskundigheid en het algemeen belang tot stand kwam: "The result of this practice is, that in every set of trustees there are to be found persons

who do not possess a single qualification for the office; persons who conceive they are raised by the title of a road trustee to a station of some importance; (...)

taking care, too frequently, to turn thier authority to account, by so directing the spending of the road money as may best promotye the interests of themselves or

their connections"(Parnell, p. 293). Bovendien was er geen effectieve controle door rechters of parlement op de besteding van gelden mogelijk (iets wat behoorlijk

uniek was voor turnpike trusts (zie Parnell, pp. 291 -299). Samengevat: "The business of road-making in this country has almost entirely been confined to the

exclusive management of individuals wholly ignorant of the scientific principles on which the making of good roads depends"(Parnell. p. 28).

In 1833 concludeerde Henry Parnell "that there is not a road in England, except those recently made by some eminent civil engineers, which is not extremely defective

in the most essential qualities of a perfect road." (p. 25) Als voorbeeld noemde hij de beroemde Dover Road: "foreigners who have heard of the boasted goodness

of English Roads, must be surprised when they see the Dover Road. No road shows so conspicuously the low state of the art of road-making in England as this road."(p. 290).

Hij verduidelijkte: "Although it is to the turnpike system that the abundance of useful roads is owing, it must at the same time be observed that great errrors have been

committed in carrying the system in operation "(p. 290). De situatie in Schotland en Ierland was inmiddels wel verbeterd. In Schotland was inmiddels 875 mijl nieuwe weg

aangelegd volgens de nieuwe inzichten van wegenbouwer Thomas Telford (Parnell, p. 33), en vanaf 1815 begon Telford met de aanleg van 82 mijl nieuwe weg op de route

van Londen naar Holyhead in Noord-Wales. Het was een voorbeeld van hoe een moderne goede weg eruit moest zien: "a plan of road-making suitable to a great traffic

on completely perfect principles" (p. 34). In 1847 ziet Parnell wel verbeteringen, maar de wegen waren nog verre van perfect (o.a. drainage): The surface of all the roads,

until within a few years, was every where cut into deep ruts, and even now, since more attention has been paid to road works, though the surface is smoother,

the bed of materials which forms it is universally so thin, and it is weak, and consequently exceedingly imperfect" (p. 27). Thomas Telford en John Loudon McAdam gaven

een belangrijke (wetenschappelijke) aanzet tot de verbeterde wegen van de 19e eeuw, waarbij de wegen aan de eisen van het toenemende vracht- en personenvervoer

in het industriële tijdperk. Zie hieronder, "the heyday of coaching".

In de 17e, 18e en 19e eeuw verschenen er 'reisgidsen' met overzichten van wegen en straten, bedoeld voor o.a. reizende kooplui.

Niet toevallig waren het ook vaak legeronderdelen die verantwoordelijk waren voor het beschrijven van de wegen in het land.

De bekende landkaarten van de bekende Britse Ordnance Survey hadden een militaire oorsprong (in de 18e eeuw):

"The Board of Ordnance was a British government body responsible for the supply of armaments and munitions to the Royal Navy (until 1830) and British Army. It was also responsible for providing artillery trains for armies and maintaining coastal fortresses and, later, management of the artillery and engineer corps. It also produced maps for military purposes, a function later taken over by the Ordnance Survey. The board existed under various names from at least the early fifteenth century until 1855, with headquarters in the Tower of London."

( Wikipedia, link)

"The roots of Ordnance Survey go back to 1747, when Lieutenant-Colonel David Watson proposed the compilation of a map of the Scottish Highlands to facilitate the subjection of the clans following the Jacobite rising of 1745. In response, King George II commissioned a military survey of the Highlands, and Watson was placed in charge under the command of the Duke of Cumberland."

"Ordnance Survey, an executive agency and non-ministerial department of the United Kingdom government, is the national mapping agency for Great Britain, producing maps of Great Britain, and one of the world's largest producers of maps.

The name reflects the original military purpose of the organisation in mapping Britain during the Napoleonic Wars when there was a threat of invasion from France, and its logo includes the War Department's broad arrow heraldic mark."

(Wikipedia, link)

In 1700 waren de gemiddelde reistijden voor de postbezorging (per koerier/postbode te paard) vanuit de London Inland Letter Office als volgt:

Londen - Bristol: 16 uur en 45 minuten

Londen - Liverpool: 21 uur en 20 minuten

Londen -Exeter: 30 uur en 40 minuten

Londen - Norwich: 13 uur en 35 minuten

Londen - Davenport: 27 uur en 5 minuten

Londen - Glasgow : 42 uur

 

19e eeuw

Ook Napoleon zou later opdracht geven tot de aanleg, en verbetering van nieuwe wegen en kanalen. In 1804 werd begonnen met de aanleg van de onvoltooid gebleven, Grand Canal Du Nord van Venlo naar Neuss, tussen Schelde, Maas en Rijn (link).

Onder Napoleon werd een postwegsysteem geïntroduceerd, waarbij passagiers gebruik konden maken van paardenkoetsen volgens vaste regels m.b.t. bijv. het vereiste aantal paarden per koets, etc. en tegen vaste tarieven, over vaste routes (postwegen / posting roads) reden. Voor snelle en efficiënte militaire transporten en troepenbewegingen, en snelle koeriersdiensten tussen Parijs en de plaatselijke bestuurscentra waren goede verbindingswegen noodzakelijk.

Mariana Starke kon de sterk verbeterde toestand van de wegen, en andere openbare voorzieningen, van na het Napoleontische tijdperk goed vergelijken met de vroegere situatie. Ze maakte haar eerste Europese reizen tussen 1792 and 1798, en bezocht het Continent ook daarna voor langere tijd in de jaren1817-1819, en opnieuw in 1838, het jaar waarin ze in Milan kwam te overlijden. In haar Information and Directions for Travellers (7e druk, 1829) schreef ze:

"Accommodations for Travellers during the last twenty years have been materially increased in France, Switzerland, Italy, and Germany, by the augmentation and improvement of Hotels; by the erection of fine Bridges, which are almost universally substituted for inconvenient and dangerous ferry-boats; by the sums bestowed to make rough and mountainous roads smooth and level; and by the consummate skill exterted to render those Alps, which were only practicable by means of mules, traineaux and chaises-à-porteur, so easy of ascent, that Post-Horses, attached even to a heavy Berlin [coach], now traverse them speedily and safely. With such judgement, indeed, have the sinuosities of Alpine Roads been managed, that crane-neck carriages, once absolutely requisite in passing the Alps and Appenine, are at present needless; and even a drag-chain is seldom required. Several Hotels in France are much improved, by having Restaurants attached to them; as this circumstance never fails to ensure a good cook, and a well-provided larder. New Post-roads, likewise, have been recently constructed; particularly in Switzerland, and the Sardinian and Lucchese territories; and the most frequented Post-roads are now (1927), generally speaking, good." (pp. 1 & 2)

De landroute door de Alpen (en Appenijnen) vormde in de 18e eeuw voor reizigers naar Italië een groot obstakel. Thomas Nugent schreef dat "there are but few passages through these mountains, and those of difficult access" (Grand Tour, 1756, Vol. 3, pp. 5, 6). Vóór de verbetering van deze bergpassage door Napoleon, moest de veelgebruikte passage van Zwitserland naar Italië die over de St. Gothardt soms zelfs kruipend worden afgelegd:

"This mountain is two miles high, and very dangerous in winter, because of the great heaps of snow and stones (...). But the most hazardous part is the bridge on the Russ (...), and from the slipperness of the bridge, which renders it difficult even to foot-passengers, who are obliged to creep on all fours, lest the fury of the wind should drive them down the rocks." (Grand Tour, 1756, Vol. 3, pp. 1 & 2)

Onder Napoleon was de St. Gothardt toegankelijker gemaakt en in 1829 schreef Mariana Starke dat de reis van Fluelen in Zwitserland naar Bellinzone in Italië over deze berg "is easily accomplished in four days, whether on foot or on horseback" en dat "carriages may pass, by being dismounted, from Altorf to Giornico". In 1839, vermeldde ze in Travels in Europe (9e editie) dat de reis via de St. Gothardt nog maar 2 dagen duurde.

"[T]he inhabitants of the neighbouring cantons have, at a great expense, lately completed a carriage-road over the St. Gothard, vying in excellence with either of its rival routes, the Simplon and Cenis. The journey from Fluelen to Belllinzona is now easlily accomplished in two days."(p. v)

Ook de alternatieve Alpenroute vanaf Lyon naar Genua (of van Genève naar Susa en Turijn) over de Mont Cenis was onder Napoleon sterk verbeterd. In 1792 moesten Mariana Starke en haar familie nog met muilezels en draagstoelen worden vervoerd:

"Cenis-Porters came to enquire how many mules and men we should want for the passage of the mountain, and likewise to take our coach to pieces that it might be placed on the backs of mules. (...) The passage over Cenis is rendered convenient by means of seddan-chairs, close and warm as those used in England; each being carried either by six or eight porters (...); there likewise are open chairs, each carried by four porters; and travellers who choose to ride, may be provided by safe mules." (Travels in Italy between 1792 and 1798, vol. 1, pp. 13,14)

Behalve de Alpenroute over de Mont Cenis, kon men nu ook vanuit Oostelijke Zwitserland via de nieuwe weg over Mount Splugen naar het Como-meer, Milan of Venetië reizen. De westelijke (maritieme) Alpenroute over de Col-de-Tenda (van Nice naar Turijn) kon weliswaar ook in 1829 's winters niet veilg worden afgelegd, maar was toch sterk verbeterd in vergelijking met de situatie van vóór Napoleon. Tijdens een passage in 1792, beschreef Mariana Starke de situatie als volgt:

""One of our party being an Invalid, was carried by eight porters in a close chair (...); this chair , however, has no bottom, a very unpleasant circumstance, as when the Porters rest themselves, the Traveller is set down upon the snow; but this inconvenience cannot be easily avoided, for, were the chairs made with bottoms, they would be too heavy for the Porters, and therefore dangerous in sudden gusts of wind. The rest of our party went upon mules, or in open chairs, each chair being carried by six men; while our coach was drawn empty over the mountain by the Voiturin's horses, and our baggage carried upon mules. We were three hours and a quarter in ascending the Col-de-Tende, and one hour and three quarters in descending. The path through which we were conducted was steep, but safe, and shorter than the coach-road. (...) [O]ur [empty] coach was eight hours in passing this Alp." (Travels in Italy between 1792 and 1798, vol. 1, pp. 6-8)

De weg die de lege koets volgde was aangelegd in opdracht van de koning van Sardinië en voltooid in het jaar 1785, maar toch nog te steil voor zwaardere vrachten.

Een vierde verbeterde, zeer pituresque en populaire bergroute voerde door de Jura-Alpen, over de Simplon, en was in 1805 als militaire route voltooid: "this is the only passage of the Alps which human labour has made practicable for heavy ammunition-waggons and artillery" (Travels in Italy between 1792 and 1798, vol. 1, p. 42)

Overige routes vanuit Frankrijk (bijv. via Marseilles) voeren over zee naar Leghorn. Deze zee verbindingen waren, tot de komst van de stoomboten, onregelmatig en weinig comfortabel.

In de roman Washington Square van Henry James maken de hoofdpersonages in het midden van de 19e eeuw een grand tour door Europa en reden ze met hun koets over "the smoothness of posting roads". (Penguin-editie, p. 120)

Ook in Nederland werd pas in de Napoleontische tijd, en onder Koning Willem I in het begin van de 19e eeuw, de situatie van  de Nederlandse wegen aanmerkelijk verbeterd. Onder Napoleon werden de noordelijke en zuidelijke Nederlanden verenigd en ook werd de autonomie van de 7 provincies beperkt, waardoor de aanleg van een nationaal wegennetwerk makkelijker werd. Niet toevallig kwam in deze tijd ook het personen- en goederentransport bedrijf tot bloei van Van Gend en Loos (opgericht in 1796 door een huwelijk van koetsier Jan Baptist van Gend met hoteleigenaresse Maria Loos, die een oom had die al sinds 1783 een bodedienst had voor pakketten en brieven, en vanaf 1790 één van de eersten was die personenvervoer verzorgde met een uit Frankrijk afkomstig nieuw type postwagen, de diligence ('carrosse de diligence' = 'snelkoets'). (De eerste Nederlandse diligence, ook wel wisselwagen genoemd, dateert overigens al van 1764, en reed op Zutphen).

De oorsprong van Van Gend & Loos lag in Antwerpen, in de Zuidelijke Nederlanden, een welvarende stad die sterk van de Industriële Revolutie had geprofiteerd. Er was, net als in andere steden, een reisbeluste middenklasse ontstaan die (samen met het verbeterde wegennetwerk) de sterke groei van vervoersbedrijven als Van Gend & Loos mogelijk maakte. Niet langer was het reizen over grotere afstanden voorbehouden aan een kleine elite die zich de kosten van een gerieflijke privékoets (of huurkoets) met paarden en rijder konden permitteren. Transportbedrijven als Van Gend & Loos vervoerden niet alleen personen en baggage, maar ook handelswaar en geld. Men maakte daarbij steeds gebruik van de nieuwste, snelste en betrouwbaarste modellen diligences.

Onder Koning Willem I (1813-1840) werd het wegennet in de zowel de Zuidelijke als Noordelijke Nederlanden verder uitgebreid door de aanleg van verharde provinciale en rijkswegen. De verharding van (rijks)wegen was het gevolg van een Koninklijk Besluit uit 1821. De eerste verharde weg in Drenthe (buiten dorpen en steden) werd aangelegd tussen Zwolle en Groningen. Het traject Assen-Vries-De Punt kwam in 1825 gereed, en het lange stuk Meppel-Dieverbrug-Assen langs de Drentse Hoofdvaart in 1839. Provincies bleven overigens vaak achter bij het verder verharden van verbindingswegen, en gaven liever vergunningen en subsidies aan gemeentes (vanaf 1854), of aan particulieren voor de aanleg van tolwegen. Daardoor breidden het aantal verharde gesubsieerde- en tolwegen zich snel uit. In Drenthe liep de toale lengte van verharde wegen snel op van 82 kilometer (in 1850) tot 392 km (in 1875), 569 km (in 1900) en 1385 km (in 1925). Daarmee was nog niet alles gezegd over het onderhoud, en de kwaliteit ervan. Klinkerwegen kregen vaak een "kattenrug", en ook de spoorvorming op grindwegen maakte het reizen vaak verre van comfortabel. Pas door toedoen van de fietsersvereniging de ANWB kwam hierin vanaf eind 19e eeuw verbetering. In het ANWB-verenigingsblad De Kampioen van 1 maart 1890 wordt opgemerkt :"Ook onze grindwegen  (...) blijven voor verbetering vatbaar. Voor velen, vooral in de kleistreken, zou het reeds een stap tot den vrede zijn, indien zij in het midden bestraat werden!"

Mary Shelley (Wollstonecraft) (1798 - 1851)

History of a Six Weeks'Tour through a part of France, Switzerland, Germany, and Holland, published in 1817

Londen (vertrek op 28 juli 1814)

Dover (waar ze nade tocht oper koets een "seabath" neemt)

Calais (vertrek met een cabriolet en 3 paarden)

Boulogne

Parijs (7 dagen, te voet verder)

Charenton

Gros Bois

guignes

Provins

Nogent

St. Aubin

Trois Maisons

Echemine

Village of Pavillon

Troyes( vanaf hier een voiturier gehuurd tot aan Neufchâtel)

Vaudeuveres

Bar-sur_Aube

Chaumont

Langres

Champlitte

Gray

Besançon

village of Mort

Maison-Neuve

Pontarlier (hierna wordt de "French barrier" gepasseerd)

___________________________________________
St. Sulpice

Neufchâtel (aankomst op 23 augustus)

Lucerne

Brunen (met de boot verder langs de rivieren Reuss en rijn)

Lucerne (vertrek op 28 augustus)

Dettingen

Loffenberg

Mumph

Rheinfelden

Bazel (Basle)

___________________________________________

Straatsburg

Mainz (Mayence) (vertrek op 4 september)

Bonn

Keulen (Cologne)

Kleef (Clêves)

Nijmegen ("Nimeguen")
Tiel ("Triel")

Rotterdam (vertrek op 8 september)

Maasluis (Marsluys)

Gravesend (aankomst op 13 sepetember)