(back to -->>menu) 

foreign relations & cultural stereotypes

Algemeen

Maximillien Misson over moeilijkheid van oordelen m.b.t. andere volkeren/culturen

Nederland

William Temple

Uit politiek en geschiedkundig oogpunt bleef het werk van William Temple Observations upon the United Provinces of the Netherlands (1672)lange tijd een standaardwerk voor kennis over de Nederlanden.

Het werd door reizigers als Maximillien Misson, die zichzelf niet deskundig genoeg achtte om met enige autoriteit over de politieke situatie van een land te schrijven en daarom naar de geschriften van personen Temple verwees), evenals later door Jospeh Marshall (1768) geraadpleegd. Marshall probeerde de kennis over de Verenigde Provinciën met vergelijkbare interesse en diepgang te observeren en analyseren als Temple een eeuw eerder had gedaan.

William Temple was ambassadeur in Den Haag van 1667-1670 en 1674-1679 en beschreef uit eigen waarneming wat de Nederlandse provinciën kenmerkte: opkomst en welvaart, regering, ligging, eigenschappen van het volk, religie, strijdkrachten en inkomsten, oorzaken van het rampjaar 1672, wat door Temple gezien werd als de ondergang van het land.

Het boek bleef lang een inspiratiebron voor lezers die het succes (en de neergang) van de Nederlandse Provincies in de 17e eeuw 

wilden bestuderen. Nog in de tweede helft van de 18e eeuw verwees James Boswell tijdens zijn verblijf in Utrecht naar dit boek.

In een brief van 20 jan. 1764 aan John Johnston of Grange blijkt dat Boswell over dit boek beschikte en dat ook Johnston er over kon beschikken.

Hij verwees naar een passage waarin Temple de neerslachtigheid ("spleen") beschrijft waar buitenlanders op hun bezoek aan

Nederland vaak last van hebben (Chapter IV: "Of their People, and Dispositions").

Joseph Marshall

Travels through Holland, Flanders, Germany, Denmark, Sweden, Lapland, Russia, the Ukraine, and Poland, in the years 1768, 1769, and 1770

in 3 delen, 1772; een 4de deel, Travels htrough France and Spain in the Years 1770 and 1771, werd afzonderlijk gepubliceerd in 1776.

De aanleiding voor het publiceren van deze reisbeschrijving was minder uit culturele dan uit economische en politieke interesse.

Zie de Preface:

"About eleven years ago, I went the usual tour of Europe, which is reckoned, though very falsely, a finishing of education: I then visited France, Italy, part of Spain, and some territories in Germany, running very eagerly after every thing produced by the fine arts, and thinking that painting, statuary, music, and the like, were the only objects worthy of notice. The pursuit, however, of a young traveller is usually pleasure (..). Reflection convinced me that there were numerous objects highly deserving attention in every country which I had passed by without notice; and I regretted a journey performed in the rawness of youth, which afforded me so little instruction. (...) I determined to spend some years in journeying through the Northern Parts, which would probably present me with a new world; the accounts I had read of most of them, being either very imperfect, or so old, that everything might be altered since the authors wrote, so that I ran no risque of knowing too much before I set out.

With this intention I embarked for Holland, and spent some time in examining every thing worthy of attention in all the provinces of the Dutch republic, which I will venture to assert, contain more that is worthy of a traveller's attention, provided he is something more than two and twenty, than any part of Italy. (...) I began my travels with viewing and enquiring into objects of more solidity and use, than I had ever thought of when abroad before; the state of the Dutch trade and manufactures, the value and products of their lands, &c. demanded, and had my attention."

 

Italië

Marnix van St Aldegonde over Italië (1570)

Marnix van St. Aldegonde beval opvoeders aan om de jonge edellieden ("over wie wij hier meer bepaald spreken", p. 2), op hun achttiende een buitenlandse educatiereis te laten maken:

"Wanneer de kinderen ouder geworden zijn en tot hun jongelingsjaren gekomen, late men hen vreemde landen bezoeken en daar de uitheemse talen beoefenen, leeren spreken, vooral die van hen, met welke hun vaderland in handels- en vriendschapsverkeer staat." (p. 41)

"Dan wordt het ook tijd hen vreemde landen te laten bezoeken en met vreemde menschen en zeden door eigen ogen bekend te maken; waarbij zij tevens, door het vele nieuws dat zij zien en hooren, onderscheidelijk en juist over de zaken te zullen leeren oordeelen. Zoo mogen zij dan eenigen tijd op de voornaamste hoogescholen van Frankrijk en Duitschland doorbrengen, ook Engeland bezoeken en zelfs Illyrië bereizen. Italië is het beter dat zij niet bezoeken, althans niet vóor hun vijf-en-twintigste jaar en wanneer hun oordeel rijp en hun leven ingetogen en bezadigd is; ook mogen zij er geenen langen tijd aaneen vertoeven, maar alleen om het te zien er een korten tijd verblijven. Italië toch moet als eene pest geschuwd worden.

(citaat uit de Nederlandse vertaling vanRatio Instituendae Juventutis)

Frankrijk

Vincent van der Vinne over de Fransen

Duitsland

Arnout Hellemans Hooft in 1649 over Duitsland (na de 30-jarige Oorlog):

"Hier was ik blijd' dat ik van de Duytschen, of, ten minsten 't landt, want met de Duijtschen had ik weinig te doen, verlost was. '(...) De menschen heel onbesnoeijt door de bank, uijtegenomen die, die de betaemelijkheijdt in andere landen geleert hebben. De gemeente is seer slaefachtigh: deze staeltjes heb ik 'er altoos van gesien: dat 3 mans van ons van Ceulen tot Mentz de rivier optrokken dat 3 paarden in die tijdt qualijk souden gedaen hebben. De schipper nomden se ook anders niet dan peerden. Van Aughsburgh tot Venetjen toe liep 'er ook een te voet altijdt bij 't paerdt daer 't de peerden quaedt genoegh hadden, gelijk 'er de boode ook al een onder wegh moest laeten staen, en eenighe seer swack waeren. Die wat meer als gemeen sijn, sijn hoovaerdigh en opgeblaesen. Sij sijn in 't gemeen groote dronkerts. Vloeken is 'er geen gebrek: daerom seijden sij tegens ons, als sij tegen malkander geweldigh vloekten, en wij daerteghen spraeken, dat sij maer onder sigh reddeden."  (14 okt. 1649)

 

De Verenigde Staten

Charles Dickens, in American Notes

James Fullarton Muirhead (redacteur van de Baedeker-gids), in The Land of Contrasts

Turkije / Ottomaanse Rijk

Cornelius Haga, de eerste Nederlandse ambassadeur vaanf 1612

P.R. Bos (van de "Bos-atlas"), in Leerboek der Aardrijkskunde, uitgegeven sinds 1876 tot 1931 en lter (?) (3e druk 1878)

"De Turk is in 't geheel niet bekend met de vorderingen, die landbouw, veeteeelt en nijverheid hebben gemaakt. Daarbij komen nog zijne luiheid, het uitroeien van bosschen en de groote geestelijke goederen. (...) Gebrek aan werkkrachten (tengevolge van luiheid), aan goede wegen en aan ontwikkeling, maken, dat de nijverheid zich slechts tot het voortbrengen van enkele soorten van voorwerpen bepaalt. (...) De binnenlandsche handel wordt zeer bemoeilijkt door 't gebrek aan wegen en eene groote mate van onveiligheid. (...) De buitenlandsche handel van Turkije (...) is meest in handen van de Engelschen, Grieken en Italianen. Met den buitenlandsche handel van Griekenland is het beter gesteld (...), en op zee heeft Griekenland, na langdurige onderdrukking, in de eerste helft dezer eeuw zijne onafhankelijkhied weder bevochten. (...) In vele opzichten verschillende van de Grieken zijn de Osmanen, die Europa eerst tegen het einde der middeleeuwen zijn binnengetrokken. "De Turken hebben geen toekomst in Europa. Hunnen nationaliteit en hunnen godsdienst (de Mohamedaansche) zijn als 't ware versteend, zonder levenwekkende geest en zonder geschiktheid voor hoogere ontwikkeling. Ze zijn uit eene stof gevromd, die niet kan buigen en dus moet breken. Tegenover gastvrijheid en weldadigehid staan bij hen blind fanatisme, overdreven gevoel van eigenwaarde, huichelarij en groote zorgeloosheid en luiheid."Hun getal bedraagt weinig meer dan 1 millioen. Hoewel in de laatste jaren met den aanleg van spoorwegen een begin is gemaakt en ook in andere opzichten den invloed van West-europa een plaatsje is gegund, staat de ontwikkeling van Turkije nog op zeer algen trap. De Grieken staan iets hoger." (pp. 162-163)

Barbarije

 

history of migration

zie ook de website "vijf eeuwen migratie" (link)