<< terug / back

Holland-overzee

Ver-Engelste vorm van Nederlands handhaafde zich lang (6 december 2003, © De Volkskrant)

Driehonderd jaar lang overleefde in Amerika een soort Nederlands. De mensen die het spraken, tot 1920, leefden in afgelegen streken en waren vaak niet blank.

Het steekt de Nederlanders nog altijd dat onze voorvaderen in de zeventiende eeuw New York hebben verkwanseld aan de Engelsen. Stel je toch eens voor: zonder die misser hadden de Amerikanen nu Nederlands gesproken.

Misschien een kleine troost: een groepje Amerikanen heeft sinds 1625 inderdaad Nederlands gesproken, tot in de twintigste eeuw. Nog rond 1920 spraken leden van geïsoleerde gemeenschappen op geringe afstand van New York een enigszins ver-Engelste vorm van ons zeventiende-eeuws.

Tot die conclusie komt prof. dr. Jaap van Marle, decaan cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit in Heerlen. Van Marle is van huis uit morfoloog, gespecialiseerd in taalverandering. Hij onderzoekt de taal van de Nederlandse protestanten die in de tweede helft van de negentiende eeuw als kolonisten neerstreken in de Mid-West, in staten als Iowa, Michigan, Wisconsin en Illinois.

Die late protestantse kolonisten trokken vanaf de Amerikaanse oostkust via het noorden van de staten New York en New Jersey naar het westen, om daar boer te worden. Zij meldden dat ze onderweg mensen hadden ontmoet die er allang woonden en die Nederlands spraken. Voor sommige van de protestanten was dat verstaanbaarder dan voor andere, afhankelijk van de sterk uiteenlopende dialecten die ze wederzijds bezigden.

Dat wekte Van Marles nieuwsgierigheid, een bevolkingsgroep die zo laat na de zeventiende-eeuwse Nederlandse opmars in Noord-Amerika de taal nog altijd sprak. Doorgaans verdwijnt de moedertaal van kolonisten definitief na een generatie of drie, vier, om volledig plaats te maken voor de lokale dominante taal.

 

Op zoek naar ondersteuning voor de beweringen over vroege Nederlands sprekenden aan de Amerikaanse oostkust, stuitte Van Marle op wat in de literatuur ‘Low Dutch’ heet. De grondleggers daarvan waren rond 1625 in Amerika aan wal gegaan. De Nederlandse kolonisten, al dan niet boeren, bleven Nederlands spreken en dat werd ook de taal van hun slaven en bedienden. Zelfs de indianen die in dat gebied woonden, leerden Nederlands. Een deel van die mensen en hun nazaten kwam vervolgens terecht in moeilijk bereikbare, afgelegen streken. Isolement is voor een ‘kleine’ taal de voornaamste voorwaarde voor behoud.

Van Marle verhaalt hoe hij op zoek ging naar de gebieden waar deze mensen moeten hebben gewoond. Tot zijn verbazing belandde hij minder dan honderd kilometer benoorden het overbevolkte New York City al in de wildernis. Daar leiden onverharde wegen naar afgelegen nederzettingen, zoals in de Ramapo Montains.

In afgelegen dorpjes wonen gemeenschappen, doorgaans bestaande uit gekleurde mensen, vaak met deels indiaans bloed, onder zigeunerachtige omstandigheden.

Deze bewoners bevestigen de verhalen van de negentiende-eeuwse protestanten. Ze spreken zelf geen Nederlands, ze verstaan het ook niet. Maar ze vertellen dat ouders en grootouders het inderdaad spraken. Ze vinden zichzelf volgens Van Marle niet eens Amerikanen. "We’re different: we’re Dutch" , zeggen ze vol trots.

Het Low Dutch waarnaar Van Marle zocht, is echter uitgestorven. Rond 1920 resteerden nog een paar oudere sprekers, wier kinderen wel Nederlands verstonden, maar het niet spraken. Die kinderen zijn inmiddels ook overleden. De mensen daar leiden een zwaar en hard leven, niemand wordt er ouder dan zestig, en dat is al stokoud, zegt Van Marle.

Het Low Dutch fungeerde louter als spreektaal, tussen mensen die onderwijs genoten in het Engels, of zelfs helemaal niet naar school gingen. Er bestaan van het Low Dutch geen geluidsopnamen, en het is ook niet opgeschreven. Hoe het heeft geklonken, weten we dus niet en het valt ook niet meer te achterhalen.

Nú nog taalkundig onderzoek naar woordenschat en grammatica van het Low Dutch, op basis van nieuw materiaal, is daardoor niet mogelijk. In het verleden is zulk onderzoek wel gedaan, zij het mondjesmaat. Van Marle vond wetenschappelijke literatuur over de taal, daterend van 1911 en 1913. Daaruit blijkt dat Low Dutch grammaticale invloeden van het Engels vertoonde. Zo week de woordvolgorde in zinnen af van de Nederlandse. En de typisch Engelse progressive form: ‘I’m fishing’ (letterlijk: ‘ik ben vissende’) werd in Low Dutch: ‘Ik was te gang met vissen’.

 

Ten langen lesten is het Low Dutch dus toch ten onder gegaan. Van Marle benadrukt dat hij taalkundige is en geen antropoloog. Hoe het proces van verdwijning precies is verlopen, is niet helemaal duidelijk. Voor zover hij heeft kunnen nagaan, zijn de blanke nakomelingen van de vroege Nederlandse kolonisten in de negentiende en begin twintigste eeuw uiteindelijk toch in de Amerikaanse samenleving opgegaan.

Hun bevrijde slaven en bedienden, plus een aantal indianen in dat gebied, lijken bewust voor een leven in isolement te hebben gekozen, liever dan in de stad te worden behandeld als tweederangs burgers. Het zijn juist die geïsoleerde groepen van gekleurde mensen en hun nakomelingen die het Nederlands zo lang als spreektaal hebben gehandhaafd.

Driehonderd jaar overleven, van rond 1625 tot na 1920, naast een dominante eerste taal, dat is uitzonderlijk lang, benadrukt Van Marle. En dat voor een taal die niet op school werd onderwezen, die niet werd geschreven en die zelfs geen dienst deed om de traditionele godsdienst of het cultuurgoed door te geven.

Holland overseas

Anglicized form of Dutch language survived for a long time (December 6, 2003, © De Volkskrant)

For three hundred years, some form of the Dutch language survived. The people who spoke it, until 1920, lived in remote areas and often were not white.

It is still painful to the Dutch that our seventeenth century ancestors have squandered New York to the English. Just imagine: if it had not been for that mistake, the Americans would now speak Dutch.

Perhaps there is one small consolation: a small group of Americans actually spoke Dutch since 1625 into the twentieth century. As recently as around the year 1920, members of isolated communities at a short distance from New York spoke a somewhat anglicized form of our seventeenth-century Dutch.

That is the conclusion arrived at by Dr. Jaap van Marle, who is Dean of Cultural Studies at Heerlen Open University. Originally a morphologist, Van Marle is a specialist of linguistic changes. He studies the language of the Dutch Protestants who settled as colonists in the Mid-West, in states such as Iowa, Michigan, Wisconsin and Illinois.

 

Those late Protestant colonists traveled from the American East coast through the northern parts of the states of New York and New Jersey to the West in order to become farmers there. They reported that, on their way, they met people who had lived there for a long time and who spoke Dutch. To some of the Protestants, it was more intelligible than to others, depending on the hugely different dialects they used among themselves.

This stimulated Van Marle’s curiosity: a community that, so long after the seventeenth-century Dutch advance in North America, still spoke the language. Typically, a native language spoken by colonists permanently disappears after three or four generations, to be replaced comprehensively by the local, dominant language.

When looking for corroborative evidence for the assumptions about early Dutch-speaking people on the American East coast, Van Marle came across what is referred to in literature as ‘Low Dutch’. Its founders had come ashore in America around 1625. The Dutch colonists, whether or not they were farmers, continued speaking Dutch, which also became the language of their slaves and servants. Even the Indians living in that area learnt Dutch. Partly, those people and their descendants subsequently ended up in remote areas that were difficult to reach. To a ‘minor’ language, isolation is the main requirement for its preservation.

Van Marle narrates how he started looking for the areas in which these people allegedly lived. To his surprise, he found himself in the wilderness at no more than under one hundred kilometers north of overcrowded New York City. There, dirt roads led to remote settlements, such as in the Ramapo Mountains.

Remote villages are home to communities typically consisting of colored people, frequently of mixed Indian stock and living in gipsy-like circumstances.

These inhabitants confirm the stories of the nineteenth-century Protestants. They do not speak Dutch, nor do they understand it. But they say that their parents and grandparents actually did speak it. According to Van Marle, they do not even regard themselves as Americans. "We’re different: we’re Dutch," they say quite proudly.

However, the Low Dutch language Van Marle was looking for has become obsolete. Around 1920, there were still a few older speakers whose children actually could understand Dutch, yet did not speak it. By now, those children have also died. People there lead a tough and hard life, with nobody living to be over sixty, which, to them, is actually very old.

Low Dutch merely served as a spoken language among people who were taught English at school or did not go to school at all. There are no sound-recordings of Low Dutch, nor has it been recorded in writing. So, we do not know what it sounded like, nor are we able to retrieve that information any more.

 

To conduct a linguistic study into the vocabulary and grammar of Low Dutch at the present time, on the basis of fresh material, is therefore impossible. Such studies, though not many, were conducted in the past. Van Marle found scholarly literature about the language dating from 1911 and 1913. It shows that Low Dutch had been grammatically influenced by the English language. For instance, its word order was different from Dutch. And the typically English progressive form: ‘I’m fishing’ (literally: ‘ik ben vissende’) was changed into Low Dutch: ‘Ik was te gang met vissen’.

 

So, in the long run, Low Dutch became obsolete. Van Marle emphasizes that he is a linguist and not an anthropologist. How the process of becoming obsolete exactly went is not quite clear. As far as he could find out, the white descendants of the early Dutch colonists in the nineteenth and early twentieth century eventually did assimilate into American society.

 

Their freed slaves and servants, plus a number of Indians in that area, seem to have made a conscious choice for a life in isolation rather than be treated as second-class citizens. It is precisely those isolated groups of colored people and their descendants who have kept the Dutch language as their spoken language for such a long time.

Surviving for three hundred years, from around 1625 until after 1920, in the proximity of a dominant first language, that is extremely long, emphasizes Van Marle. For, you should keep in mind that it is a language that was not taught at school, was not written down and did not even play a role in passing on traditional religion or cultural heritage.

 

terug naar boven

 

back to top

   

<< terug / back